Vrij zijn is… heel langzaam voetballen

Raoul de Jong en fotograaf Peter de Krom laten zien hoe we uit de sleur breken. Deze week voetbal in wandeltempo.

Foto Peter de Krom

Sjaak de Wit (66, rode schoenen, grijze muts) voelde zich alsof hij weer 18 was, die eerste ochtend op het voetbalveld van de voetbalvereniging van Monnickendam. Het was 30 jaar geleden dat hij voor het laatst voetbalde. „Als je jong bent, wil je alleen maar ouder worden. Als je 15 bent, wil je 16 zijn, want dan mag je een brommer. Als je 16 bent, wil je 18 zijn, want dan mag je een rijbewijs. Pas als je oud bent, besef je wat je had.” Of zoals trainer Christopher Manuputty (32) zegt: „Op een gegeven moment wil het hoofd nog wel, maar de benen niet meer.”

De Wit werkte 47 jaar voor de overheid. „Ik had best door willen gaan tot mijn 70ste, maar op mijn 65ste besloot ik ruimte te maken voor een jongere generatie.” Letterlijk: toen een collega met twee jonge kinderen door een reorganisatie zijn baan zou verliezen, besloot De Wit te vertrekken, zodat de collega kon blijven. En toen was er het gat. „Vijf dagen per week had je 35 man om je heen, dát was je wereld. In ene zit je dan thuis op de bank.” Griezelige vragen ga je jezelf dan stellen. Dingen als: wat is de zin van het leven? De Wit begon met vrijwilligerswerk, hij fietste en hij deed aan atletiek en een paar maanden na zijn pensioen werd de eerste Walking Football-groep van Monnickendam opgericht.

Walking Football is, volgens de site van voetbalbond KNVB, „een nieuwe voetbalvorm voor 60-plussers die op hun oude dag nog lekker actief bezig willen zijn”. Voetbal, maar dan in wandeltempo. Er mag niet worden gerend, slidings zijn verboden en de bal mag niet boven heuphoogte komen. In Monnickendam is de training elke dinsdagochtend, van tien tot elf uur.

Als er gerend wordt, blaast trainer Manuputty op zijn fluitje

Trainer Manuputty: „Elke training beginnen we met een warming-up, daarna werken we aan de techniek of andere spelvormen. In het laatste halfuur spelen we het partijspel met en zonder opdrachten. De partijen duren acht à tien minuten, met twee minuten rusttijd tussendoor.” Dat alles op een lager tempo gaat, betekent niet dat winnen niet belangrijk is. Manuputty lacht: „Winnen blijft een dingetje, ten koste van bijna alles.” Als er gerend wordt, blaast hij op zijn fluitje. Af en toe struikelt iemand over zijn eigen benen. Dan mag er best gelachen geworden. „Al wordt er altijd eerst even gekeken hoe ernstig het is. Op deze leeftijd is het natuurlijk zo dat sommigen niet meer omhoog komen.” Na een partijtje geeft iedereen elkaar een hand, verplicht. En daarna wordt er nog wat gekletst en gedronken. Koffie, geen bier.

De Wit zegt: „Naast het spel is dat het mooiste: de groep. We houden allemaal van een lolletje.” Want dat is dan het leuke van ouder worden: „Je maakt je niet zo gauw meer druk, de meeste dingen heb je al eens meegemaakt en je weet dat overal een oplossing voor is.”

    • Peter de Krom
    • Raoul de Jong