Verlies PvdA kwam niet door Rutte II

Nationaal kiezersonderzoek Kiezers, zo blijkt uit onderzoek, willen vooral dat partijen duidelijk maken waar ze voor staan. Bij de PvdA was dat onduidelijk.

PvdA-lijsttrekkersverkiezing tussen Diederik Samsom en Lodewijk Asscher in november 2016. Foto Martijn Beekman

Soms lijkt een politieke conclusie zo evident dat bijna niemand deze meer controleert. Het verlies van de Partij van de Arbeid bij de Tweede Kamerverkiezingen vorig jaar bijvoorbeeld moest wel het gevolg zijn van impopulair kabinetsbeleid, zo oordeelden alle verkiezingsanalyses, inclusief die van de partij zelf. Hoe was anders te verklaren dat de PvdA duikelde van 38 naar 9 zetels?

In het Nationaal Kiezersonderzoek dat deze zaterdag verschijnt, is 2.800 Nederlanders zelf gevraagd naar hun afwegingen voor en op de verkiezingsdag. Daaruit blijkt dat de electorale ineenstorting van PvdA, en in mindere mate coalitiepartner VVD, helemaal niet gepaard ging met ongenoegen over regeringsbeleid. Kiezers waren daar namelijk best tevreden mee.

„Dat duidt niet op een afstraffing”, zegt Tom van der Meer, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en mededirecteur van het onderzoek. „Het lijkt erop dat er voor kiezers veel meer overwegingen bij kwamen kijken.” Kiezers richten zich liever op wat een partij belooft voor de toekomst dan op resultaten uit het verleden. Terwijl de PvdA onvoldoende duidelijk kon maken waar de partij voor staat, bood het veelpartijenlandschap kiezers voldoende aantrekkelijke alternatieven, aldus het onderzoek.

Luister hieronder naar aflevering 23 van onze podcast Haagse Zaken: Waarom kiezers kiezen wat ze kiezen. U kunt zich ook abonneren via iTunes of Stitcher.

In 2012 had de PvdA nog geprofiteerd van de tweestrijd tussen Diederik Samsom en Mark Rutte. In 2017 ontbrak zo’n horse race. Wat dat betreft waren die verkiezingen misschien ‘eerlijker’ – weinig kiezers brachten een strategische stem uit.

Dat betekent niet dat kiezers in een vroeger stadium besloten welke partij hun stem kreeg, zo blijkt uit het onderzoek. Slechts twee op de vijf kiezers wist maanden van tevoren bij welke partij hun hart lag. Een even grote groep besloot in de laatste dagen wie hun stem kreeg. Vijftien procent zelfs pas op verkiezingsdag. Kiezers twijfelden bovendien tussen meer partijen dan bij eerdere verkiezingen, gemiddeld overwogen ze er 3,35. Ook opmerkelijk: late beslissers lieten zich niet sterker leiden door de populariteit van de lijsttrekker, maar brachten vaker een voorkeurstem op een lagere kandidaat uit.

Het is nog een beetje gissen wat voor die kiezers uiteindelijk doorslaggevend was. De onderzoekers hebben daar wel naar gevraagd, maar nog lang niet alle data zijn geanalyseerd. De publicatie van zaterdag toont bijvoorbeeld niet of ‘de Turkse kwestie’ (de rel in Rotterdam waarbij een Turkse minister werd uitgezet) beslissend was voor een groter verschil tussen VVD en PVV dan de peilingen hadden geschetst.

Zetelroof

In deze editie van het kiezersonderzoek is ook uitvoerig gevraagd naar staatkundige vernieuwing. De voornaamste verandering die kiezers zouden willen, is het onmogelijk maken van zetelroof (70 procent) door volksvertegenwoordigers die zich afsplitsen. Daarnaast is nog altijd een ruime meerderheid (56 procent) voor referenda en wil een bijna even grote groep een hogere kiesdrempel (55 procent).

Het vroegere enthousiasme om digitaal te stemmen, met stemcomputers of online, blijkt ondertussen verdwenen. Een meerderheid (52 procent) wil ouderwets stemmen met het rode potlood. Onder jongeren is dit zelfs 63 procent.

Gezien de hoge opkomst bij de onderzochte verkiezingen (82 procent), zou je kunnen veronderstellen dat elke electorale groep in Nederland zich nu wel politiek vertegenwoordigd voelt. Maar het kiezersonderzoek toont één gat: in de links-conservatieve hoek. Er is geen partij waardoor kiezers die economisch links, maar cultureel conservatief zijn zich gerepresenteerd voelen.

Het lijkt alsof de SP het onderzoek al gelezen heeft, want sinds Lilian Marijnissen de leiding overnam profileert de partij zich opeens op veiligheid en is zij sceptischer over migratie.

Door alle bevindingen van het kiezersonderzoek loopt één rode draad. In elke politieke afweging die kiezers maken, en in de mate waarin zij zich gehoord voelen, blijkt opleiding een doorslaggevende factor. Of het nu gaat over partijvoorkeur, ideeën over migratie en Europa, liefde voor het referendum, opkomst, of vertrouwen in de politiek, de voornaamste scheidslijn tekent zich af tussen hoger- en lageropgeleiden.

Die kloof is niet nieuw, benadrukt Van der Meer. „Maar vroeger hadden we ook andere cruciale tegenstellingen. Geslacht, leeftijd, afkomst blijken steeds minder bepalend, terwijl opleiding sterker wordt.”

Bij kiezers die maximaal een vmbo-diploma hebben, is de PVV met afstand de populairste partij. Afgestudeerden van hbo en universiteit stemmen vooral op VVD en D66. Zo tekent zich een scheiding af tussen elitaire en anti-elitaire politieke partijen. Maar politici van álle partijen lopen het risico dat ze tussen verkiezingen in de verbinding met laaggeschoolde kiezers verliezen. Die zijn zelden lid van een partij en worden niet bereikt met nieuwe vormen van democratische participatie, zoals inspraakavonden en burgerinitiatieven in gemeenten.

Op basis van dit onderzoek waarschuwt Tom van der Meer, opnieuw, dat het afschaffen van het landelijk referendum de afstand die lageropgeleiden voelen ten opzichte van de politiek vergroot. „Het is een ventiel voor kiezers die zich het minst vertegenwoordigd voelen.”

    • Emilie van Outeren