Schrijver, laat ons niet in het apparaat verdwijnen

Boekenweek Natuur, mens en machine trekken samen op, schrijft . Wat is in deze nieuwe natuur de rol van de schrijver? Het bezingen van fris groene bossen is geen verhaal meer.

Illustratie ISTOCK/Beeldbewerking NRC

De uitnodiging voor het Boekenbal maakt dit jaar melding van karekieten. Ik heb het opgezocht: het zijn zangvogels. Verder spreekt de uitnodiging over fris groene bossen en de bodem van de zee. De Boekenweek staat namelijk in het teken van de natuur. Dus reizen de schrijvers straks op het Bal in hun verbeelding langs woestijnen en grappige species, langs natuurwonderen en modderstromen. Om op de dansvloer – ‘laat het beest in u los’ – het avontuur af te sluiten met hun lievelingsdier.

Het is volmaakt logisch dat de feestcommissie heeft gekozen voor zo’n romantische natuuropvatting, want je krijgt de Amsterdamse Stadsschouwburg niet in extase door te beginnen over convergentie, of over synergie tussen cognitieve wetenschappen en biotechnologie. Toch is dat saaie woord convergentie wel waar het spannend wordt in het schrijven over natuur. Want in de eenentwintigste eeuw is die natuur niet meer het domein van de dieren alleen, maar ook van de dingen: de grens tussen het levende en het levenloze vervaagt. Convergentie houdt in dat je oog hebt voor de verwevenheid van biologie en technologie; dat je schrijft over levende systemen in samenhang met design. Je zou daarom in de Boekenweek, over twee weken, overal roedels schrijvende robots verwachten, zwermen declamerende drones. Dichteressen met broeken van in vitro gekweekt mensenleer. Uit bacteriële slijmlagen ontstane boekhandels. Levende avatars die het beest loslaten in zichzelf.

Deze verwevenheid van biologie en technologie, van het levende en het levenloze, is niet een vanzelfsprekend literair thema. De science fiction van de vorige eeuw zag geen toekomst meer voor de natuur. Schrijver E.M. Forster publiceerde in 1909 een kort verhaal, The Machine Stops, dat wereldberoemd werd vanwege de voorspellende waarde ervan: het internet werd erin aangekondigd. De machine was in dit toekomstbeeld zo dominant geworden dat ze de hele schepping aan zich had onderworpen. Schrijven over de natuur was achterhaald. „Alle oude literatuur, met haar lofzang op de Natuur, en haar vrees voor de Natuur, klonk onzinnig als het gebabbel van een kind.”

Lees ook: de recensie van Maxim Februari’s boek Klont

Dit twintigste eeuwse natuurbeeld was nog de vrucht van het oude dualisme dat we erfden van de Verlichting. Mens tegenover natuur. Mens tegenover machine. Maar wat nou als die verschijnselen helemaal niet los van elkaar blijken te bestaan: machine, mens en natuur? Wat als ze samen optrekken? In deze nieuwe tijd, nu de machine zich alom aan ons opdringt in het dagelijks leven, breekt breed het besef door dat de mens van nature juist nauw verwant is aan de machine. Om een boektitel van techniekfilosoof Jos de Mul te citeren, de mens is ‘kunstmatig van nature’.

Het gebruik van externe werktuigen en gereedschappen is vanaf zijn ontstaan kenmerkend geweest voor de menselijke soort. Andere dieren houden hun lichaamsdelen binnen de grenzen van hun lichaam, wij externaliseren ze en maken er instrumenten van. Dat betekent dat we technologisch bepaalde wezens zijn en dat onze biologie door de techniek blijft veranderen. Onlangs zag ik op de televisie een man van 101 jaar oud opgewekt achter zijn computer zitten. Hij vertelde dat hij nog in leven was door zijn betrokkenheid bij de wereld, mogelijk gemaakt door zijn toegang tot het internet. „Dus het hangt allemaal van mijn vinger af, als ik niet meer kan dubbelklikken ben ik dood.”

Zo evolueren we. Onze vinger is een dubbelklikvinger geworden, waarmee we vastzitten aan het internet, en ons leven hangt af van onze band met de computer. Die band is zoals gezegd niet nieuw. Die hebben we van oudsher met de dingen, met hamers, wielen, nierdialyseapparaten, tandenborstels, typemachines en al die andere intieme instrumenten die ons tot cyborg maken. We stoppen onze hersens in onze auto. Slikken nanocomputers om ons te genezen. Laten ons lichaam gebruiken door het internet, dat er sensoren in prikt. Er is geen duidelijke grens aan te wijzen waar onze biologie eindigt en de technologie begint.

Onze vinger is een dubbelklikvinger geworden, waarmee we vastzitten aan het internet

Wat wel nieuw is, en hier komt dat saaie woord convergentie te pas, is dat de technologie opeens zelf begint te leven. De werktuigen die we hebben gemaakt verzelfstandigen zich. Dat komt doordat ze niet alleen autonoom en intelligent opereren, maar doordat ze zelf in deze nieuwe tijd ook biologische kenmerken krijgen waardoor ze het domein van de natuur binnen treden. Biologische attributen als weefsel en organen, bijvoorbeeld. Of het soort intelligentie waarmee ze volop kunnen meedoen in de gevoelswereld van de mens. Of allebei: dan krijgen robots zowel natte technologie – weefsel, cellen en organen – als een artificiële gevoelsintelligentie. Zo lijken ze steeds meer op de natuurlijke mens.

Ingenieursbenadering

In een preadvies voor de Nederlandse Vereniging voor Bio-ethiek schreef onderzoeker Dirk Stemerding in 2015 over deze convergentie, de onderlinge invloed van nanotechnologie, biotechnologie, informatietechnologie en cognitieve wetenschappen. Kennis op het ene gebied maakt onderzoek op het andere gebied mogelijk en ideeën uit de biologie worden toegepast in de informatietechnologie of andersom. „In deze ontwikkeling verdwijnt geleidelijk de grens tussen de fysische en biologische wetenschappen, dat wil zeggen, tussen de wereld van de niet-levende en de levende natuur. Kenmerkend voor deze grensvervaging is dat levensverschijnselen steeds meer deel uitmaken van een op maakbaarheid gerichte ingenieursbenadering.”

Wetenschappen en technologieën trekken naar elkaar toe, convergeren, en plegen interventies op elkaars onderzoeksterrein. En door die interventies vermengen zich ook de systemen zelf, met als gevolg dat de machine levend wordt en dat het levende machine wordt. En dat laatste houdt in dat de levensverschijnselen – de mens, het dier, het brein, het landschap – tegemoet worden getreden met de ‘ingenieursbenadering’ van de informatietechnologie. Die benadering ziet het leven vooral als maakbaar en op efficiënte wijze bestuurbaar. En dus worden lezers, van Facebook bijvoorbeeld, door technologie bestudeerd. Om aan de hand van hun gezichtscontouren, hun blikrichting en hun toetsaanslagen erachter te komen wat ze willen en zo de wereld daarop aan te passen. Landschappen worden in de gaten gehouden door tractoren van het internationale bedrijf John Deere, dat op die manier data verzamelt.

Zo zijn we een flink eind verwijderd geraakt van de fris groene bossen van de Boekenweek. Althans, die fris groene bossen zijn nu ecosystemen geworden die autonoom worden beheerd door kunstmatig intelligente systemen. Vanuit onze technologische ingenieursbenadering ontstaat de wens in die bossen ratten te laten uitsterven of mammoeten juist weer te laten herleven. Dit met behulp van CRISPR, een techniek waarmee je genen kunt redigeren. Onbemande vliegtuigjes of high-tech sensor netwerken nemen hun intrek in het bos om er stropers op te sporen – en al met al is er een levendige aanwezigheid van dingen in de vrije natuur.

Homo scribens

Wat is in deze nieuwe natuur nog de rol van de schrijver, de homo scribens, zoals de organisatie van de Boekenweek hem noemt? Doet hij nog mee te midden van de softbots met hun mensenogen en hun oorsprong in de ingenieursgemeenschap? Het belangrijkste kenmerk van schrijvende mensen is hun drankgebruik, zeggen de Boekenweekbazen, maar er moet toch meer over ze zijn te zeggen? Iets over de werktuigen die ze gebruiken, taal en tekst, bijvoorbeeld? Rondom het thema van de Boekenweek wordt volop de dichter Bloem geciteerd. ‘Wat is natuur nog in dit land?’ Maar die natuur redt zich wel. De dringender vraag betreft de literatuur. ‘Wat is een roman nog in dit land? Een stukje tekst, ter grootte van een krant.’

De toenadering van de verschillende wetenschappen, na het eeuwenlange dwaalspoor van de specialisatie, gaat helaas niet vanzelf gepaard met toenadering tot kunst en literatuur. En begrijp me goed, ik koester ook zeker niet de illusie dat je complexe vragen zou kunnen versimpelen door er kinderen of kunstenaars op los te laten. Dat zou een overschatting van de onschuld zijn. Vraag kunstenaars fris naar de wereld te kijken en voilà: met hun naïeve blik lossen ze de lastigste problemen in een handomdraai op. Zo werkt het niet.

Maar toch kan de ingenieursbenadering wel wat bijsturing vanuit kunst en letteren gebruiken. Want terwijl de technologie tot leven komt, wordt andersom het leven, zoals gezegd, meer en meer met de ingenieursblik van de informatietechnologie bekeken. Wat geen garantie is dat het wel goed komt. Want de mens mag dan een techniekgebruikend wezen zijn, hij is ook een betekeniszoekend wezen. Als hij op zijn sterfbed ligt, kijkt hij niet tevreden terug omdat hij zo efficiënt is geweest: hij zoekt een verhaal, een betekenis in zijn bestaan. Hij is een kunstmens in de dubbele betekenis van dat woord: kunstmatig en kunst makend tegelijk. Het leven vervangen door gedragssimulatie, en het eenzame individu terugbrengen tot een knoop in een netwerk, is misschien efficiënt vanuit de ingenieursbenadering bezien, maar die benadering is niet zaligmakend.

Daarom, om de blik bij te sturen, stort de beeldende kunst zich op de nieuwe levensvragen door zelf te gaan klonen en kunstmatige weefsels te maken. Door te schilderen met bacteriën. Op die manier kunnen kunstenaars ethische en poëtische vragen stellen over het ingrijpen in de natuur. Werkend met wetenschappelijke processen komen ze tot een beeld van de natuur dat mogelijk een aanvulling biedt op de ingenieursnatuur.

En de letteren? „Homo scribens kruipt graag met soortgenoten bij elkaar om zich te laven aan mooie woorden”, schrijft de Boekenbalcommissie. En dat is waar. Je kunt de zangvogels zien zitten op een tak. Maar de natuur is volop in beweging en de homo scribens schrijft niet alleen meer proza en poëzie, niet alleen essays en wetenschappelijke verhandelingen. Al schrijvend kan hij ook ingrijpen in de werkelijkheid. De werktuigen van de literaire schrijver, taal en tekst, zijn net zo goed de werktuigen van wetenschappers, technologen, ingenieurs. En net als de beeldend kunstenaar zou de literaire auteur best aanvullingen kunnen bieden op het beeld van het leven dat ontstaat in wetenschap en techniek. Dit jaar is het precies tweehonderd jaar geleden dat Mary Shelley het verhaal Frankenstein publiceerde en intussen is de mens werkelijk in staat DNA te herschrijven, software te formuleren voor landschapsontwikkeling, scripts voor de natuur. Hij laaft zich niet alleen aan mooie woorden, maar maakt met zijn herschrijving van het DNA binnenkort echt eenhoorns en hagedissen met vleugels, volgens biochemicus Jennifer Doudna. En met genetische doping redigeert hij zichzelf.

Alle oude literatuur, met haar lofzang op de Natuur, en haar vrees voor de Natuur, klonk onzinnig als het gebabbel van een kind.

De ‘homo scribens’ is daarmee niet alleen een schrijvend wezen, maar ook een geschreven wezen. De technieken die hij ontwikkelt veranderen zijn natuur. De taal is een van die werktuigen die de mens heeft geëxternaliseerd, die hij niet binnen de grenzen van zijn lichaam houdt, zoals de andere dieren, maar die hij buiten zichzelf heeft geplaatst. In boeken en geschriften. En net als andere werktuigen, zoals zelfrijdende auto’s en robots, maken de teksten zich vervolgens van hem los en beginnen zich te verzelfstandigen. De laatste eeuwen schreven mensen bijvoorbeeld hun moraal op – in boeken en wetboeken die ze voor zich op tafel konden leggen. Maar nu biotechnologieën en informatietechnologieën je van binnenuit kunnen veranderen, verbeteren, herschrijven, zijn die externe regels niet meer nodig. Je hoeft ze niet meer op papier te zetten, ze worden onderdeel van je biologische en informationele script. Je hebt de regels niet meer, letterlijk, in de hand, ze zijn je de baas geworden. Breinsimulatie, genetische manipulatie, het voorkomen van misdaad met behulp van Big Data: net als in het verhaal ‘Het apparaat’ van Kafka worden de regels door een ingenieus apparaat met naalden in het lichaam van de hedendaagse mens geëtst.

Technologie wordt biologie. Biologie wordt technologie. Het eerste betekent dat de mammoet terug komt. Het tweede betekent dat wij zelf levenlozer dreigen te worden, doordat de benadering van de technologie dominant wordt in ons bestaan. Of we ons leven over een aantal jaar op ons sterfbed nog als een verhaal kunnen zien is dus maar helemaal de vraag. De roman, het concept van het levensverhaal van een afzonderlijk individu, zou wel eens kunnen verdwijnen. Want zodra de mens wordt vertaald in termen van informatie, in data die bij elkaar opgeteld worden en door vijf miljard gedeeld, zijn we ons idee van een afzonderlijk zelf kwijt.

De homo scribens drinkt te veel, zegt de organisatie van het Boekenbal. Dat mag zo zijn, maar dat is niet erg, een beetje ongedisciplineerd mag best. Als hij maar op tijd weer helder genoeg is om te zorgen dat de ingenieurs niet zelfstandig de natuur herschrijven, de dieren redigeren en het bos formuleren. Terwijl alle technologie biologie wordt, is het de taak van de schrijvende mens te zorgen dat niet alle biologie technologie wordt en hij zelf in het apparaat verdwijnt.

    • Maxim Februari