Opinie

    • Michel Kerres

Ook cyberoorlog verdient een plaats in internationaal recht

Op de veiligheidsconferentie in München speelden cyberconflicten een grote rol, zag Michel Kerres. Rusland wist van niets: pokerface in cyberspace.

CIA-directeur Pompeo tijdens zijn getuigenis voor de Senaat. Foto Chip Somodevilla/Getty/AFP

Nee, nee, zei Sergej Kisljak, hij wist echt nergens van. Kisljak, Poetins man in Washington van 2008 tot 2017, liet zich niet van zijn stuk brengen op de jaarlijkse veiligheidsconferentie in München. De FBI-aanklachten tegen 13 Russen voor inmenging in de verkiezingen waren Amerikaanse „fantasieën”.

Kisljak speelt een centrale rol in het Rusland-onderzoek. Trumps eerste veiligheidsadviseur, Michael Flynn, moest vertrekken omdat hij had gelogen over gesprekken met Kisljak. Het is allemaal Amerikaanse binnenlandse politiek, zei Kisljak in München. Het is jullie probleem, jullie leven, beet hij zijn Amerikaanse ondervrager toe. Laat ons erbuiten.

Een pokerface is onontbeerlijk in de grote politiek. Het duel liet even de kou voelen die de relatie tussen de twee grootmachten kenmerkt.

Mike Pompeo, directeur van de CIA, zei vorige week in de senaat dat de Amerikanen de Russen terugpakken voor inmenging in de verkiezingen. Hoe, wilde hij niet zeggen. „Dat hoeft niet iedereen te weten, het is genoeg als zij het weten.”

Het is makkelijk om de Russen in de rol van slechterik te drukken, maar ze hebben niet het monopolie op inmenging. Pompeo’s CIA heeft inmenging tijdens de Koude Oorlog tot kunst verheven en is daar niet mee gestopt toen de Muur viel. Een onderzoeker van Carnegie Mellon telde in de periode 1946-2000 81 gevallen van Amerikaanse inmenging in buitenlandse verkiezingen en 36 voor de Sovjet-Unie/Rusland. In The New York Times vertelden oud-spionnen zondag vermakelijke verhalen over Amerikaanse inmenging. Zo lieten de VS in 2000 miljoenen stickers drukken om de verkiezing van Slobodan Milosevic te voorkomen.

Stickers! Tegenwoordig verloopt inmenging via Facebook, trollen en hacks. De Council on Foreign Relations telde vorig jaar wereldwijd ruim veertig cyberaanvallen, uitgevoerd in opdracht van een staat.

Is onze verdediging eigenlijk wel op orde in het geval van een grootschalige aanval, gevaarlijker dan een trollenoffensief? Dan Coats, baas van alle Amerikaanse inlichtingendiensten, gaf vorige week in de Senaat toe dat de Amerikanen hun zaakjes nog niet goed geregeld hebben. Bij 9/11 bleek dat verschillende delen van het Amerikaanse apparaat langs elkaar heen werkten, zei Coats „Dat willen we nu voorkomen.” Je mag hopen dat hij op tijd klaar is.

Diezelfde vrees bekroop me ook toen VN-secretaris-generaal Antonio Guterres er in München op wees dat er geen overeenstemming is over de vraag of internationaal humanitair recht van toepassing is op een cyberoorlog. „We zijn getuige van een, min of meer verhulde, cyberoorlog tussen staten. En we zijn nog niet in staat geweest om te discussiëren of de Geneefse Conventies en internationaal humanitair recht van toepassing zijn op een cyberoorlog.”

Er wordt al jaren gediscussieerd over de toepassing van internationaal recht op een cyberoorlog, ook binnen Guterres’ VN. Maar afgelopen zomer liepen onderhandelingen op expert-niveau bij de VN vast op onenigheid tussen Rusland/China enerzijds en de VS anderzijds. De kans op een multilateraal verdrag is daarmee voorlopig van de baan.

Henry Dunant gaf de aanzet voor de Geneefse Conventies na het oorlogsleed van Solferino (1859). Het zou stupide zijn om te wachten op het Solferino van het cybertijdperk om de internationale regels te moderniseren – ook al zijn verdragen niet zaligmakend. Gelet op de kou tussen Rusland en de VS gaat het er voorlopig niet van komen.

Redacteur geopolitiek Michel Kerres en Oost-Europa-deskundige Hubert Smeets schrijven hier afwisselend over de kantelende wereldorde.
    • Michel Kerres