Muhammad Ali (1942-2016) bokste tot hij bijna veertig was.

Chris Smith/Getty

Nee, jij idioot, vecht nou niet meer

Interview Jonathan Eig

Muhammad Ali bokste te lang door – tot hij zeven keer zoveel klappen kreeg als hij uitdeelde. De biografie Ali: een leven gaat ook over een man die altijd seks zocht. ‘Je blijft om hem geven, ook al is zijn gedrag soms onvergeeflijk.’

Jonathan Eig was een jongetje van tien toen Muhammad Ali het in 1974 in Zaïre opnam tegen George Foreman, de wereldkampioen die gevreesd werd om zijn mokerslagen. Eig keek naar de ‘Rumble in the Jungle’ in Chicago, in het huis van een vriendje, toen de uitslag van dat gevecht om de wereldtitel al een paar dagen bekend was. Het is zijn vroegste herinnering aan Muhammad Ali.

Jonathan Eig: “Je blijft om hem geven, ook al is het soms onvergeeflijk.” Roger Cremers

„Bij jullie was ‘de Rumble’ rechtstreeks op televisie, maar in Amerika moest je naar een bioscoop om het die avond live te zien”, zegt Eig. „Dat mocht ik niet van m’n ouders. Pas een week later was het op televisie. Maar de vader van een vriendje werkte bij een van de grote zenders en had al een tv-opname van de Rumble. Voor vijf dollar mocht ik in de kelder komen kijken. We wisten al lang dat Ali gewonnen had, maar het was zo ongelofelijk spannend om dat gevecht daar te zien nog voordat het op tv zou komen.”

Achteraf bleek het door de Zaïrese dictator Mobutu gesponsorde gevecht ook Ali’s meest memorabele. De toen 32-jarige bokser veroverde in Afrika zijn tweede wereldtitel in het zwaargewicht. Hij zou daarna nog veel te lang doorgaan, heel veel klappen incasseren en pas vlak voor zijn veertigste stoppen. Nadat Ali in 1978 was onttroond en kort daarna tegen de verwachtingen in voor de derde keer wereldkampioen was geworden, werd hij nog een paar keer tot moes geslagen.

Bij jullie was ‘de Rumble’ rechtstreeks op televisie, maar in Amerika moest je naar een bioscoop om het die avond live te zien.

Ali: A Life (in vertaling verschenen als Ali: een leven) beschrijft de teloorgang in detail. Hoewel er vele tientallen boeken over ’s werelds grootste sportman zijn geschreven, is Eig de eerste die met cijfers en statistieken Ali’s transformatie tot Parkinsonpatiënt in kaart brengt. Het is tevens het eerste boek dat Ali beschrijft van zijn geboorte in Louisville in 1942 tot aan zijn dood in 2016. Andere rode draad: zijn honger naar seks.

Bekijk ook: Duizenden nemen afscheid van Muhammad Ali in Louisville.

Rondvaartboot

In 1976 stapte Ali in een Amsterdamse rondvaartboot en liep met open mond over de Wallen. Nu, 42 jaar later, doet Jonathan Eig (54) de stad aan om zijn boek te promoten. In een hotel aan de Herengracht vertelt hij over zijn fascinatie voor de bokser. „Ik wilde hem de behandeling geven die je een koning of een president geeft”, zegt hij. Het werd geen geautoriseerde biografie, ook al kreeg hij het aanbod van Ali’s vertegenwoordigers er een officiële levensbeschrijving van te maken. „Ik zei meteen nee. Ali verdiende een serieuze biografie, want zo’n full blown, big fat biography was er nog niet. Hij heeft er recht op behandeld te worden als een belangrijke historische figuur. Dat kan niet als de vingerafdrukken van de familie overal staan.”

Eig interviewde tweehonderd mensen voor het boek. Maar hij kreeg géén uitgebreide medewerking van Lonnie Ali, de vierde en laatste echtgenote, met wie de bokser dertig jaar getrouwd was. „Omdat ik geen geautoriseerde biografie wilde maken, weigerde ze een interview. Ze heeft me wel een beetje gecoacht en specifieke vragen beantwoord.” Eig stuurde haar een exemplaar van het boek, maar een reactie bleef uit.

Ik wilde hem de behandeling geven die je een koning of een president geeft.

Ali: een leven is opgedragen aan Eigs dochter Lola. Zij schreef Ali een paar jaar voor zijn dood een brief: „Lieve Muhammad. Mijn vader houdt van je. Hou jij ook van hem.” Lonnie nodigde vader en dochter uit in Arizona langs te komen, in het huis waar de Ali’s de meeste tijd doorbrachten. Eig: „Toen we daar kwamen, was hij te ziek om in de woonkamer te komen. In de twee uur dat we daar waren, hebben we hem niet gezien. Ik was al een paar jaar serieus met dat boek bezig en wilde hem heel graag ontmoeten, maar hij kwam z’n kamer niet uit.”

Muhammad Ali schoot in de jaren 60 als een komeet omhoog. Achttien was hij toen hij in 1960 in Rome als Cassius Clay olympisch kampioen in het halfzwaargewicht werd. Het duurde slechts vier jaar voordat hij zijn droom verwezenlijkte: wereldkampioen, in februari 1964, twee maanden voordat zijn biograaf Eig in New York geboren werd.

De 22-jarige Clay sprak zich onomwonden uit tegen racisme. Hij bekeerde zich tot de islam en werd een aanhanger van de radicale Nation of Islam. Hij weigerde in militaire dienst te gaan en in Vietnam te vechten. In die jaren gold hij als de meest gehate man van Amerika. Robert Kennedy, Malcolm X en Martin Luther King jr. werden vermoord, Ali hield rekening met een aanslag op zijn leven. Eig: „Ali was toch een beetje een klein kind; hij zei iets stoms en een moment later kon hij je een knuffel geven. En dan vergaf je hem weer.”

Waarom wilde u het zoveelste boek over Ali schrijven?

„Zijn leven raakt alle onderwerpen waar we het in Amerika nog steeds over hebben: ras, religie, oorlog, politiek. Er is niet één goede biografie over hem. En niemand is met hem te vergelijken. De meeste zwarte sporthelden uit zijn tijd hielden hun mond.”

Drieënhalf jaar lang was Ali geschorst geweest toen hij in 1970 zijn rentree maakte. Een jaar later vocht hij in de ‘Fight of The Century’ tegen die andere ongeslagen kampioen in het zwaargewicht, Joe Frazier. Ali verloor, maar versloeg kort daarna Amerika: het Hooggerechtshof stelde hem als dienstweigeraar in het gelijk, zette een streep door zijn straf (vijf jaar cel, 10.000 dollar boete) en effende de weg voor het tweede deel van zijn bokscarrière.

Muhammad Ali verliest van Joe Frazier in de ‘Fight of The Century’:

Maar hij was toen al niet meer de danser die lenig klappen ontweek. Hij moest in toenemende mate incasseren. Zoals in de Rumble in the Jungle in 1974: Foreman beukte erop los, Ali bleef overeind – al hing hij in de touwen. Foreman raakte uitgeput, Ali nam het initiatief over en sloeg hem tegen het canvas. In Afrika werd hij weer de koning van het boksen.

Ali’s nieuwe tactiek – incasseren en vervolgens toeslaan - had zijn prijs. In zijn laatste negen gevechten, zo liet Eig wetenschappers berekenen, kreeg hij 2.197 klappen en deelde hij er 1.349 uit. Die verhouding in de laatste twee gevechten, die hij allebei kansloos verloor: 371-51. Voordat hij in 1967 een beroepsverbod kreeg, incasseerde hij per ronde 11,9 klappen, in zijn laatste tien gevechten (1976-1981) 18,6. Zijn spraakvermogen verslechterde navenant, bewezen onderzoekers van de Universiteit van Arizona: in 1967 sprak Ali met een snelheid van 4,07 lettergreep per seconde, in 1971 was dat gezakt naar 3,8.

Kunt u zich voorstellen hoe moeilijk het moet zijn geweest om te stoppen?

„Als ik hoofdstukken af had, las mijn vrouw ze. Ik hoorde haar op de bank uitroepen: ‘Nee, jij idioot, vecht nou niet meer. Je had net nog gezegd dat je ermee zou stoppen!’ Zij wist niet dat hij tot in 1981 zou doorgaan. Natuurlijk kon hij niet zonder de aandacht, maar hij deed het vooral voor het geld.” Ali’s entourage, op het hoogtepunt 38 mensen, was grotendeels afhankelijk van zijn boksen.

Ali was toch een beetje een klein kind.

In 1976 kreeg hij zes miljoen dollar om het in Tokio op te nemen tegen een Japanse worstelaar. „Als het om gevechten ging, kon hij moeilijk nee zeggen – net als met vrouwen. Je moet je ook afvragen in hoeverre hersenbeschadiging een rol heeft gespeeld, in hoeverre hij in staat was rationele beslissingen te nemen. Het tastte ook zijn beoordelingsvermogen aan.”

Artsen gaan ook niet vrijuit, vindt Eig. „Voor zijn voorlaatste gevecht, in 1980 tegen Larry Holmes, zeiden de artsen dat hij kon vechten. Terwijl hij tijdens een eenvoudige test zijn hand niet eens naar zijn neus kon brengen.”


Bekijk het voorlaatste gevecht, Muhammad Ali tegen Larry Holmes:

Minderjarige vrouw

Hoe Ali (zijn) vrouwen behandelde, blijkt vooral uit de getuigenissen van zijn tweede vrouw Belinda (als moslim Khalilah) en derde vrouw Veronica – in Ali’s leven verschenen als een sexy ambassadeur van de Rumble in the Jungle. Khalilah vertelt in het boek dat ze hem op de dag van de Fight of the Century in 1971 nog in een hotelkamer (waar ze zelf ook met hun twee kinderen verbleef) aantrof met een prostituée. Khalilah dreigde hen allebei te vermoorden met een vleesmes. Dat gebeurde niet. En ze hoopte dat Ali zou verliezen – dat gebeurde wel.

Twee jaar later, toen hij in San Diego tegen oud-marinier Ken Norton zou boksen, lag hij een paar uur voor het gevecht nog met twee prostituées in bed. Eig: „Ik was bang dat mensen niet verder zouden willen lezen, door die belevenissen uit zijn seksleven. Daar heb ik me wel zorgen over gemaakt. Maar er is iets in Ali dat hem voor je wint, hij heeft iets innemends. Je blijft om hem geven, ook al is zijn gedrag soms onvergeeflijk.”

Uw boek kwam uit toen de #MeToo-discussie net losbarstte. Hoe is er in de VS op gereageerd?

„Ik vreesde dat er vooral over zijn seksleven gesproken zou worden. Dat gebeurde niet en dat heeft me verrast. Niemand had het erover dat hij seks heeft gehad met een minderjarige vrouw, Temica Williams. Dat is in geen enkele recensie opgemerkt. Naar eigen zeggen was ze twaalf toen ze een relatie kreeg met Ali, en snel daarna beviel ze van een zoon. Ze daagde hem ook voor de rechter wegens seksueel geweld. Ik dacht echt dat dat stevige koppen zou opleveren. Er was heel veel aandacht voor de klappen die hij heeft gekregen, zo’n 200.000 in zijn hele carrière. In de recensies ging het vooral daarover. Tot mijn opluchting, want ik wilde niet dat het boek gezien zou worden als sensatiezucht.”

U kreeg zijn tweede en derde vrouw aan het praten. Verbazingwekkend hoe die vrouwen elkaar tolereerden.

„Het was net een harem. Toen hij in 1975 in Maleisië tegen Joe Bugner ging boksen, nam hij Khalilah en Veronica mee. De ene nacht sliep hij bij de één, de andere nacht bij de ander. Kun je je dat voorstellen? Het is een heel bijzondere man die daarmee wegkomt.” Een andere keer werd Ali in een hotelkamer met een volgens Eig „lelijk, oud kamermeisje” betrapt. „Er waren zoveel van zulke verhalen. Ik wist niet waar te beginnen.”

Er is iets in Ali dat hem voor je wint, hij heeft iets innemends.

Goed en slecht lagen dicht bij elkaar in zijn karakter. Dat hij Joe Frazier met een gorilla vergeleek, was meer dan psychologische oorlogvoering; het was ronduit kwaadaardig. Eig: „Misschien moet dat ook wel als je een topsporter wilt zijn. Als je keihard op je gezicht geslagen wordt, moet je geen doetje zijn, dan moet je wel anger in je hebben. Dat kwam eruit in zijn confrontaties met Frazier en in die met zijn echtgenotes – hij kon bruut onaardig tegen ze zijn. Ook dat maakte hem tot de man die hij was. Ali was een gecompliceerde figuur, zeker geen heilige.”

En nooit bitter of cynisch, concludeert u in uw boek, terwijl daar soms best reden voor was. Zoveel mensen die van hem profiteerden.

„Hij is een onschuldige jongen gebleven, liefdevol en kinderlijk, en daarom moet je hem vergeven. Omdat hij echt om mensen heeft gegeven. Ali had liefde in zijn hart voor bijna iedereen die hij tegenkwam. Hij was the greatest. Ali was een oceaan, een man van die omvang.”

Uiteindelijk heeft u hem toch nog ontmoet.

„Negen maanden voor zijn dood belde Lonnie me. Ze zei dat hij in Louisville aanwezig zou zijn op een avond van tijdschrift Sports Illustrated. Daar stelde zij me aan Muhammad voor. Ik was op van de zenuwen. Wel een jaar had ik erover nagedacht wat ik hem zou vragen als ik de kans had. Misschien dat hij ondanks zijn Parkinson toch nog iets zou kunnen zeggen, één vraag zou kunnen beantwoorden. Ik hield zijn hand vast, keek hem aan en zei: ‘Ik schrijf je biografie. Ik weet dat je me daar niet om hebt gevraagd, maar ik ga er het beste van maken. Is er nog iets wat je wil zeggen? Jij krijgt het laatste woord.’ Hij zei niets. Ik weet niet eens of hij me wel heeft gehoord.”

Sports Illustrated maakte na de dood van ‘The Greatest’ een terugblik op zijn leven:

    • Ward op den Brouw