‘Iedereen die zijn land verlaat voelt schuld of schaamte’

Ghayath Almadhoun (38), dichter, Palestijn, geboren in Syrië, vluchtte in 2008 naar Zweden. Met de dood van geliefden en andere oorlogsellende heeft hij niet leren leven. „Ik reis continu, ik ben bekaf, maar ik wil niet geconfronteerd worden met alle leed.”

In de lobby van het Novotel-hotel in Den Haag zijn vier vrienden fanatiek aan het tafelvoetballen. De hendels aan beide zijden van de tafel worden stevig vastgehouden, Arabische strijdkreten klinken over en weer om de tegenstander te intimideren; alles is geoorloofd om te winnen. De man met het lange haar, opvallende groene ogen en stevige postuur wil er wel om wedden. Uiteindelijk maakt hij de winnende goal.

Wie Ghayath Almadhoun (38) alleen kent van zijn werk zou hem niet herkennen; het vrolijke gezicht tijdens het potje tafelvoetbal contrasteert opvallend met zijn cynische en zwartgallige gedichten. De Palestijns-Syrische poëet, in 2008 gevlucht naar Zweden, is in Den Haag neergestreken om op te treden tijdens het jaarlijkse literaire Winternachten festival tussen 18 en 21 januari; hij nam deel aan gesprekken over identiteit en beschaving en de rol van schrijvers daarin.

Zijn Arabische dichtbundels zijn vertaald in onder andere het Engels, Spaans, Grieks en zelfs Chinees. In Nederland verschenen via uitgeverij Jurgen Maas twee van zijn werken, Weg van Damascus (2014) en Ik hier jij daar (2017). Het verhaal van Almadhoun is dat van een banneling; nergens thuis, altijd onderweg, met zijn gedichten en verhalen als bagage.

Almadhoun werd geboren in Yarmouk, het Palestijnse vluchtelingenkamp in de Syrische hoofdstad Damascus. Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 belandde zijn Palestijnse vader in Yarmouk. In tegenstelling tot de Palestijnen die in 1948 naar Syrië vluchtten, kregen de vluchtelingen van na ’67 niet dezelfde rechten als Syrische staatsburgers. „Ik ben geboren zonder rechten en papieren. Dat maakte van mij een minderheid van de minderheid”, vertelt hij.

Maar opgroeien in Yarmouk was geen ramp, vervolgt hij. „Het was een stad in een stad en we maakten er het beste van. We probeerden de Palestijnse geest levend te houden met ons accent, onze keuken en cultuur. De straten waren allemaal vernoemd naar Palestijnse steden, de steegjes naar Palestijnse dorpen.” Als kind kon dat nogal verwarrend zijn. Want waarom werd er steeds gerefereerd aan een land dat niet meer bestond? Waarom was de Syrische vlag niet zijn vlag en hoezo erfde hij de vluchtelingenstatus van zijn vader? „Op een gegeven moment werd het een existentieel vraagstuk. Mijn ouders probeerden het tevergeefs uit te leggen. Het komt door de bezetting, zeiden ze dan. Door wie, vroeg ik dan. De Joden. Waarom dan? Want ze werden uitgemoord in Europa. Maar waarom delen ze het land dan niet met ons in plaats van het te bezetten? De antwoorden zorgden alleen maar voor nog meer vragen.”

Familieleden niet te vertrouwen

Bovenop zijn overgeërfde status van Palestijnse vluchteling kwam de Syrische dictatuur. De Syrische Ba’athpartij, sinds 1963 aan de macht, onderdrukte elke vorm van vrijheid. „Het ergste van leven in zo’n dictatuur”, zegt Almadhoun, „is het constante wantrouwen. Iedereen is bang voor iedereen omdat er misschien informatie doorgegeven wordt aan de veiligheidsdiensten. Zelfs je naaste familieleden zijn niet te vertrouwen. Iedereen is een potentiële spion, en als je nog geen spion aan je broek hebt hangen zorgen de veiligheidsdiensten er wel voor een.”

De angst en onzekerheid vernietigen de zin van een menselijk bestaan, zegt Almadhoun. „Als kind leer je al wat je niet mag en niet kan zeggen, omdat het te gevaarlijk is. En dat heeft gevolgen voor alles: literatuur, kunst, muziek. Dat zie je vooral terug in taal die gebezigd wordt in dictaturen, die zit vol met metaforen. Het is geen luxe, maar noodzaak.”

Op de vraag of dat in zijn voordeel heeft gewerkt sinds hij op zijn vijftiende begon met dichten, antwoordt hij afwijzend. „Ik heb een hekel aan metaforen, echt waar. Ik ben ze pas op ‘natuurlijke’ wijze gaan gebruiken nadat ik de dictatuur was ontvlucht. Het liefst vermijd ik ze.”

In een dictatuur gaat kunst om de verborgen boodschap. Veel mensen geven daarom op. Het is slopend

Volgens Almadhoun betekent onderdrukking niet altijd een einde aan creativiteit, maar het kost te veel tijd en energie om je uit te drukken. „In een normale situatie wordt kunst gewaardeerd, of niet, het is een kwestie van smaak. In een dictatuur gaat het niet om smaak maar om de bedoeling van de kunstenaar, de verborgen boodschap. Veel mensen geven daarom op. Het is slopend en de moeite niet waard.”

Zijn gedichten worden beheerst door politiek, al ziet hij dat zelf niet zo. „Mijn gedichten beschrijven mijn leven. Als je mijn teksten over leed, dood en verwoesting als politiek beschouwd, dan is dat jouw perspectief. Verander mijn leven en ik zal ‘normale’ poëzie neerpennen, wat dat ook moge zijn.

„Uiteindelijk gaat het om je herinneringen en ervaringen. Als Palestijn én Syriër, als immigrant én asielzoeker, als moslim én Arabier, en ook nog eens man, in deze tijd en wereld, kan ik niet anders dan schrijven over zaken die mij direct en indirect aangaan.”

Almadhoun werd in 2008 uitgenodigd voor een dichtersfestival in Stockholm. Hij was nog in Syrië; toen hij na omkoping van Syrische ambtenaren toestemming kreeg naar Stockholm te gaan, zag hij zijn kans schoon om daar politiek asiel te vragen. Hij zou zijn leven als dichter niet meer zeker zijn in Syrië.

Het verrotte systeem

Het doet hem nog steeds pijn, het verlaten van zijn thuisland, tien jaar geleden. Heimwee en schuldgevoelens zijn daarom terugkerende thema’s in zijn werk. „Iedereen die zijn land verlaat voelt een vorm van schuld of schaamte. Het feit dat ik niet hoef te vrezen voor mijn leven, het privilege mijn mening vrij te kunnen uiten, de bewegingsvrijheid, terwijl zo veel mensen in Syrië geen kant op kunnen.”

Pijnlijk werd het toen hij in 2016 met zijn Zweedse paspoort naar de Westelijke Jordaanoever afreisde. „De ene dag was ik nog een Palestijn en mocht ik daarom het geboorteland van mijn vader niet bezoeken. De volgende dag ben ik een Zweed en ben ik welkom. Dat laat zien hoe verrot het systeem is.” Sinds zijn bezoek twee jaar geleden heeft hij zijn vader, die nog altijd in Syrië verblijft, niet meer gesproken. Uit schaamte, zegt hij. „Ik bezocht een land waarvan miljoenen mensen in de diaspora, onder anderen mijn vader, dromen om naar terug te keren.”

Was hij in 2008 nog maar een van de weinige Syrische dissidenten die hun heil zochten in het Westen, sinds 2015 kwamen er door de oorlog in Syrië in korte tijd honderdduizenden landgenoten dezelfde richting op. Voor Almadhoun was dat geen prettige reünie. „We hebben het hier over mensen met posttraumatische stresstoornissen en drugsverslavingen vanwege de oorlog. Ze verloren familieleden aan bommen en martelingen, ze zijn geestelijk verminkt. Het zijn niet dezelfde mensen als die ik in 2008 achterliet.”

Kijk ook het interview van Ghayat Almadhoun in het programma Altijd Wat in 2014.

Zelf moet Almadhoun ook omgaan met het verlies van familieleden en vrienden door de oorlog die al bijna zeven jaar in Syrië woedt. „Ik was toevallig in Amsterdam toen ik een telefoontje kreeg en hoorde dat mijn broer omkwam in Syrië. Ik schreeuwde het uit, met vervolgens het verdovende gevoel van machteloosheid”, herinnert hij zich. „Aanvankelijk probeerde ik ermee om te gaan door te lezen over de overlevenden van de Tweede Wereldoorlog, totdat ik erachter kwam dat ook zij hun leed niet overwonnen. Dat kan gewoon niet, je moet ermee leren leven.”

Maar Almadhoun leert er nog niet mee leven, geeft hij zelf toe. „Ik ben gaan vluchten, letterlijk. Ik reis continu van plaats naar plaats, van het ene schrijversfestival naar het andere. Ik ben bekaf van het reizen, maar ik wil niet geconfronteerd worden met alle leed, dus ik blijf maar reizen. Maar ik ben een verdwaalde reiziger, precies zoals in het hoofdstuk over de dichters in de Koran: Hebt gij niet gezien hoe zij [dichters] in elk dal radeloos rondlopen?”

Morele plicht

Op medelijden zit hij niet te wachten, maar vraagt wel om erkenning. „Iedereen heeft de misdaden van Assad de afgelopen zeven jaar kunnen aanschouwen. Het is natuurlijk niet nieuw. De wereld liet ook de Holocaust, Srebrenica en Rwanda gebeuren. Waar het mij omgaat is dat mensen erkennen dat ze het wisten.” Sinds de oorlog is hij meer dan voorheen uitgesproken over alle onrecht in de wereld. „Wanneer er sprake is van daders en slachtoffers, is het een morele plicht om de kant van de slachtoffers te kiezen. Want we weten dat wanneer je in het midden staat je daarmee in feite de kant van de dader hebt gekozen.”

Het gesprek wordt gekenmerkt door ernst, maar bij één onderwerp fleurt Almadhoun op: zijn geboorteplaats Damascus. „Ondanks de dictatuur kon ik intens van die stad genieten”, vertelt hij enthousiast. „Het weer, het eten, de mensen. Het prachtige uitzicht vanaf de berg aan de rand van de stad. Op mijn reizen ben ik geen stad tegengekomen die zich kan meten met Damascus. Alhoewel er plekken zijn in Istanbul en Athene waar ik déjà vu-momenten heb ervaren. Ik ben misschien bevooroordeeld, maar voor mij is Damascus de mooiste stad ter wereld.”

Denkt hij ooit terug te kunnen keren? Een diepe zucht. „Insjallah.”