Een taal leren na je veertigste, du schaffst das

Taalles Na je veertigste een vreemde taal leren is goed te doen. Wat helpt: een duidelijk doel en zoveel mogelijk kletsen.

Goedemorgen in het Bosnisch, Chinees, Spaans, Engels, Turks en Frans. Foto Fotodienst NRC

Nog zie ik mezelf zitten in dat café, met de krant Aksam, in de kiosk gekocht na een van mijn eerste lessen Turks. Met een woordenboekje erbij zou ik daar wel wat chocola van kunnen maken. Het leek me gewoon ‘leuk’, een nieuwe vreemde taal leren. Al was ik inmiddels over de veertig, het zou vrij vlot moeten gaan, met mijn vwo-eindexamenpakket van zes talen inclusief Latijn en Grieks, mijn doctoraal vertaalwetenschap en mijn ijzeren discipline.

Niet één krantenkop wist ik te ontcijferen. Het was de eerste van een lange reeks frustraties. Tot mijn verbijstering babbelden sommige medeleerlingen al snel gemakkelijk Turks, ook de al wat oudere conciërge met alleen maar lagere school, terwijl ik nooit verder kwam dan gestamel en het zweet me uitbrak als ik de beurt had. Als ik per ongeluk soguk (het is koud) zei in plaats van sicak (het is warm), durfde ik de rest van de les mijn mond niet meer open te doen. Na vier jaar woordjes stampen en zinnen oefenen kostte het eenvoudigste gesprekje me nog steeds grote moeite, en ik kapte ermee.

Intussen ben ik over de vijftig, en overweeg ik om toch weer een taal te leren. Zweeds of Deens lijkt me wel wat. Maar eerst wil ik weten wat er destijds is misgegaan.

Wat is het geheim van vreemde talen leren? Nel de Jong, taalwetenschapper verbonden aan de Vrije Universiteit, helpt me uit de droom: intelligentie en opleiding zijn niet de enige succesfactoren. Een ‘talenknobbel’ is een mix van eigenschappen, waaronder analytisch vermogen (handig om woordsoorten te kunnen herkennen), klankgeheugen (om woorden te kunnen onthouden), én karakterkenmerken. Extravert zijn helpt bijvoorbeeld om gemakkelijk gesprekjes aan te knopen of terug te praten, iets waar je veel van leert. Fouten durven maken, ook heel belangrijk. Ik denk aan de conciërge met zijn grijze hangsnor, hij durfde dat.

Prettig om te weten: bij het leren van een vreemde taal geldt niet ‘hoe jonger hoe beter’. De Jong: „Vroeger dachten we van wel, maar onderzoek wijst uit dat oudere kinderen het beter doen dan peuters en kleuters. Dat komt onder meer doordat ook studievaardigheid een rol speelt.” Later kan dat studeren juist een struikelblok zijn. De Jong vertelt over de veertigers en vijftigers die in het kader van omscholing na jaren weer college komen volgen. „Die moeten ineens toetsen maken, artikelen in het Engels lezen, dingen die ze niet meer gewend waren. Dat valt hun vaak niet mee.”

Verkeken op de grammatica

Het ontbreken van een vastomlijnd plan moet hebben meegespeeld bij het mislukken van mijn pogingen om het Turks onder de knie te krijgen, begrijp ik van De Jong: „Mensen die de vreemde taal nodig hebben voor werk of studie, of omdat ze gaan emigreren, zijn zeer gemotiveerd en daarom het meest succesvol.” De conciërge, verdomd: hij had een vakantiehuisje aan de Turkse Rivièra en zag zichzelf daar waarschijnlijk helemaal zitten als pensionado. Andere medeleerlingen hadden een Turkse partner of deden zaken met Turkije. Ik wilde gewoon een nieuwe taal leren, het had ook Russisch mogen zijn.

Marinella Orioni promoot meertaligheid: ‘Twee of meer talen leren? Je kind kan het’

Natuurlijk had ik me ook verkeken op de moeilijkheidsgraad van vooral de grammatica van het Turks. Turks is een zogeheten plaktaal, wat betekent dat woorden eindeloos kunnen uitdijen met voorzetsels, voornaamwoorden en wat niet al. Gaston Dorren (52) is taaljournalist en auteur van onder meer Lingua - Dwars door Europa in 69 talen.

„Ik vrees dat jouw Turks niet erg hoog scoort op de lijst met meest complexe talen”, zegt hij voorzichtig. „De grammatica mag dan behoorlijk verschillen van het Nederlands, het is een taal met amper onregelmatigheden. En de uitspraak van het Turks lijkt veel op de onze, net als het schrift. Wat overigens niet betekent dat het gemakkelijk is. De meeste talen zijn lastig te leren, vooral naarmate je moedertaal er minder op lijkt.”

Een niet te hoog doel gesteld

Zelf leert Dorren Vietnamees. In zijn dit jaar te verschijnen boek Babel, over de twintig meestgesproken talen van de wereld, wil hij beschrijven hoe het is om een taal te leren die sterk afwijkt van het Nederlands. „Er zijn lastigere talen, zoals Mandarijn, Japans en de meeste inheemse talen. Maar van die twintig talen van mijn boek is Vietnamees toch wel een van de moeilijkste, moeilijker dan Arabisch. Dat komt onder meer doordat het een toontaal is. Bepaalde klanken kunnen wel zes verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de toonhoogte waarmee je ze uitspreekt.”

Hij begon ruim een jaar geleden met een leerboekje, Vietnamesisch ohne Mühe, maar na een paar maanden zelfstudie zakte de motivatie weg. „Ik besloot een reis naar Vietnam te boeken én om een docent te zoeken. Via italki, een onlineplatform, heb ik Huyen gevonden. Ik zit nog steeds op het allereerste beginnersniveau, maar toch: ik kan zinnetjes vormen en snap tekstjes waar ik een jaar geleden geen idee van had. Wat helpt, denk ik, is dat ik mijn doel niet te hoog gesteld heb: in winkels en restaurants in Hanoi iets kunnen bestellen, en begrijpen wat ze terugzeggen.”

Goedemorgen in het Vietnamees, Maleis, Japans, Zweeds, Arabisch en Duits. Foto fotodienst NRC

Lilian Kuerten (44) heeft wel veel ambitie. Haar hele leven houdt ze al van Italië en de Italiaanse cultuur, maar op haar veertigste werd die liefde serieus. Na een taalcursus in Florence, een stad waar ze zich onmiddellijk thuisvoelde, stelde ze een „masterplan” op zodat ze er in 2029, op haar 55ste, zou kunnen gaan wonen. „Het idee is dat ik het Italiaans tegen die tijd zo goed beheers, dat ik er mijn geld mee kan verdienen, als vertaler, of als journalist voor een regionale krant. Inmiddels is emigratie niet meer het ultieme streven, maar ik ben nog steeds van plan om in de toekomst op zijn minst een deel van het jaar in Italië te verblijven, en daar ook te werken.”

Zoals baby’s taal leren

Na een paar jaar zelfstudie schreef Kuerten zich afgelopen september in bij taleninstituut Studio Lingua voor een intensieve twaalfweekse cursus (twee keer twee uur per week). Geen schoolse invulopgaven maar grammatica trainen tijdens een spelletje ganzenbord, of om beurten als fitnessinstructeur een oefening uitleggen. „We leren de taal spelenderwijs. Van de week was er onverhoopt geen docent op mijn vaste groep en werd ik in de gevorderde groep geplaatst. Daar heb ik tot mijn eigen verbazing de hele les meegekletst over politiek en het neofascisme.”

De Jong zei het al: een taal leer je niet door alleen woordjes en grammaticaregels te stampen met behulp van een dor lesboek, zoals ik vooral deed met het Turks, je leert door te luisteren, praten, in gewone, dagelijkse situaties. „Denk aan hoe baby’s de taal leren, door eindeloze herhaling van zinnen in telkens dezelfde concrete situatie: ‘Nu gaan we je luier verschonen.’ ‘Nu gaan we een flesje drinken.’ Op die manier verwerf je zogeheten impliciete kennis, en dat is waar je als je een vreemde taal leert naartoe wil: dat je niet meer bij alles hoeft na te denken.”

Niet meer hoeven nadenken, is dat niet de échte lol van een vreemde taal spreken? Kan ik dan niet beter mijn Frans perfectioneren, bijvoorbeeld, in plaats van een nieuwe taal leren?

Gaston Dorren, die zo’n twintig talen op zijn minst een beetje kan lezen, geeft het antwoord. Hij vertelt dat hij een aantal jaar geleden besloot om heel goed Engels te gaan leren. Hij nam conversatieles, luisterde naar podcasts en audioboeken en maakte grote stappen. „Ik kan nu gesprekken voeren over ingewikkelde intellectuele thema’s. En mijn nieuwe boek schrijf ik in het Engels.”