Onderwijs

Archeologie en Oude Talen moeten klein kunnen blijven

Onderwijsblog De kleinschaligheid van archeologie, Oude Talen en Oude Geschiedenis mag geen reden zijn tot opheffen, want met weinig studenten ontstaat een hoogwaardige opleiding schrijft universitair docent Rients de Boer.

ANP Remko de Waal

Door Rients de Boer

De publieke discussie over de financiering van de faculteiten der geesteswetenschappen in Nederland is met het opiniestuk ‘Waarom ik ontslag neem bij de universiteit’ van Eelco Runia in het NRC van 19 januari weer kortstondig in de belangstelling. Het probleem en de oplossing hiervan zijn natuurlijk politiek en bestuurlijk van aard. Hieronder doe ik een voorstel om de kleine geesteswetenschappen een reddingsboei toe te gooien.

Als docent van de oude geschiedenis en talen van het Midden-Oosten zie ik dat de Oudheid zich gelukkig kan verheugen in een steeds groeiende publieke belangstelling. Dat is te merken aan de enorme bezoekersaantallen van musea, tentoonstellingen, de veelheid aan boeken die jaarlijks verschijnen en de populariteit van historische televisieseries en computerspellen. De geschiedenis van de Grieken, Romeinen, Egyptenaren en Mesopotamiërs is en blijft voor talloze kinderen en volwassenen een bron van fascinatie, lering en vermaak.

Zwaard van Damocles

Deze publieke interesse staat haaks op de precaire stand van zaken aan ’s lands universiteiten, waar archeologie, oude talen en oude geschiedenis worden bestudeerd en onderwezen. Ons vakgebied hangt constant een zwaard van Damocles boven het hoofd omdat er wordt afgerekend op binnengehaalde subsidies en het aantal uitgedeelde diploma’s. Weinig instroom en onderzoekssubsidies betekent weinig geld en de dreiging van opheffing of reorganisatie.

Dit probleem is endemisch voor alle kleine geesteswetenschappen en het gevolg van enerzijds de outputfinanciering en het marktdenken in het hoger onderwijs en anderzijds aan maatschappijbrede sociaal-economische ontwikkelingen zoals groeiende baanonzekerheid en de behoefte aan meer technisch geschoold personeel. Als gevolg van deze ontwikkelingen kiezen veel aanstormende studenten liever voor een studie die een baankwalificatie oplevert zoals international studies of ICT dan voor een studie met baantechnisch minder florissante vooruitzichten zoals egyptologie of boekwetenschappen.

Meester en leerling

De klaagzang hierboven is echter niet nieuw en klonk decennia geleden ook al. Feit is dat de instroom bij de kleine geesteswetenschappenstudies altijd al laag is geweest. Het voordeel hiervan was en is dat een kleine, vaak enorm gemotiveerde groep studenten uitmuntend, persoonlijk onderwijs krijgt en dat zij het vakgebied op hoog niveau kunnen voortzetten. Dit gaat volgens de idealen waarop de universiteiten ooit zijn gestoeld: intensief leren in een meester-leerlingverhouding. Het is dan ook niet wenselijk dat de kleine geesteswetenschappen honderden studenten per jaar gaan opnemen. Het gevaar bestaat dat er dan meer matige en minder gemotiveerde studenten worden afgeleverd voor de weinige beschikbare banen. Daarmee bewijzen we niemand een dienst. Het zou voor de kleine geesteswetenschappen dan ook goed zijn als ze niet worden afgerekend op kwantitatieve diplomaoutput, maar op het afleveren van een kleine, eersterangs groep afgestudeerden.

Maar dat is niet alles.

De kleine geesteswetenschappen hebben naar mijn mening juist ook een publieke taak om hun vakgebieden voor het voetlicht te brengen. Helaas krijgt men voor publieke optredens en popularisatie weinig waardering binnen de universiteit: leuk dat iemand het doet, maar het telt niet mee voor het rendement van de opleiding. Voor deze publiekstaak moeten de kleine geesteswetenschappen meer mogelijkheden hebben om geïnteresseerden tegen een bescheiden bedrag te laten meedoen aan colleges en opleidingen. Tegenwoordig is dat niet mogelijk vanwege het hoge ‘instellingsgeld’: universiteiten vragen bedragen van rond de 10.000 euro per jaar aan mensen met een reeds afgeronde opleiding. Naar mijn ervaring hebben gepensioneerden en mensen die anderszins veel tijd omhanden hebben juist een grote interesse en behoefte aan wat de kleine geesteswetenschappen hun kunnen bieden. Dit wordt nog eens onderstreept door het groeiende succes van collegereeksen in het Hoger Onderwijs voor Ouderen (HOVO). Deze leergierige mensen leggen zich vaak toe op hetgeen het menselijke leven de moeite waard maakt: kunst, geschiedenis en cultuur.

Hoe groot is de belangstelling van deze groep voor international studies of ICT? Dat is het wrange van veel kleine geesteswetenschappen: de belangstelling is er, maar het financieringssysteem van de universiteiten is ingericht op een beperkte maatschappelijke groep, namelijk studenten tussen de 18 en 25 jaar. Kortom, ik pleit voor het afschaffen van het verplichte hoge ‘instellingsgeld’ voor de kleine geesteswetenschappen zodat we meer groepen kunnen bedienen en onze relevantie beter voor het voetlicht kunnen brengen. Dit hoeft de overheid en universiteiten helemaal niets te kosten: de capaciteit aan de universiteiten is er namelijk al!

Rients de Boer is universitair docent archeologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs.