Column

Vaarwel flexwerker, hallo uurloner!

Een open zenuw is het, flexibele arbeid in Nederland. Maandag kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met nieuwe cijfers over de arbeidsmarkt in het vierde kwartaal en dus heel 2017. De conclusie: het vaste contract rukt weer op, maar ‘flexwerk’ groeide nog steeds sneller.

Verbijsterde reacties alom: dit hadden we niet afgesproken! Nu de economie aantrekt zou de positie van werknemers op de steeds krappere arbeidsmarkt moeten verbeteren, en neerslaan in een groeiend aantal vaste dienstverbanden. En nu groeide flexwerk toch weer sneller!

Even een pauze hier: want past de term ‘flexwerk’ wel? Het heeft altijd iets van een eufemisme gehad. Want hoewel het de lading aardig dekt, zit er een element van asymmetrie in. Vanuit de werkgever of opdrachtgever bezien klopt flexwerk goed: het heeft een gunstige bijsmaak. Je huurt iemand alleen in als je hem of haar nodig hebt. In wezen gaat een deel van het ondernemersrisico over op de werker. Voor de ondernemer is dat, binnen het beperkte bestek van zijn bedrijf, prima.

Vanuit de werker zelf is dat anders. Tenzij hij of zij als diepste wens koestert alleen opgeroepen te worden als het nodig is, is de flexibiliteit misschien wat minder gewenst. Het is daarom vreemd dat ook de vakbonden het eufemistische voorvoegsel ‘flex-’ hebben omarmd. ‘Dagloner’ komt veel beter in de buurt, maar dat impliceert dat er tenminste een dag lang garantie op werk is. ‘Stukloner’ is daarentegen misschien weer te atomair: wegwezen na 150 gesjouwde cementzakken. Misschien is ‘uurloner’ wel de beste term: niet te grof, niet te fijn, en het geeft de positie van de werker best goed weer.

Terug naar het schokje van maandag. De statistici van het CBS tekenden aan dat de groei van het aantal uurloners vooral voor rekening kwam van werkende scholieren en studenten. Daarna ging het stormpje liggen. Maar de vraag blijft of het aantal vaste werknemers wel zal exploderen als de arbeidsmarkt krapper wordt. Zal 2018 dat, met de steeds krappere arbeidsmarkt, gaan tonen?

Intuïtief zou je denken van wel: de werknemer staat steviger in de schoenen, voor elke werkgever tien anderen, enzovoort. Maar er is ook nog zoiets als mondigheid. Daarmee krijg je meer aandacht voor je kind op school, betere zorg voor je oude moeder en spring je makkelijker door menige bureaucratie.

Mondigheid heeft veel te maken met opleiding. Van alle laagopgeleide werknemers was vijftien jaar geleden nog 73 procent in vaste dienst en 27 procent uurloner. Nu is dat 32 procent tegen 68 procent. Laagopgeleide uurloners hebben minder zicht op een vaste baan (9,5 procent tegen 31 procent van hoogopgeleide uurloners). Ze zijn vaker oproep- of invalkracht, en zijn vaker payroller.

De vraag is nu: zijn dit de mensen die nu op hoge poten bij de HR-manager binnenlopen, of zelf actief op zoek gaan naar iets anders? Zijn dit de mensen die het risico willen of kunnen lopen op een ‘nee’ en een afscheid, op verslechterde verhoudingen met het bedrijf?

Waarschijnlijk niet. Zeker: het aantal vaste contracten zal gaan toenemen, maar dan aannemelijk vooral voor mensen die goed voor zichzelf op kunnen komen. Dat zou impliceren dat ‘flex’ met de aantrekkende economie wel vermindert, maar niet als sneeuw voor de zon wegsmelt. Het gaat niet vanzelf. De opkomst van de uurloner is het gevolg van beleid. Het terugdringen daarvan, goed om tal van maatschappelijke redenen, is dat ook.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.