Recensie

Gevraagd: prudente poortwachters voor de democratie

Wankelende democratieën De Amerikaanse president Trump is een autocratisch leider. Republikeins verzet is er nauwelijks. Twee boeken laten zien hoe democratieën ten ondergingen. En hoe ze zich weer oprichtten.

In 2016 kozen de Amerikanen een president die de spelregels van de democratie aan zijn laars lapt, de legitimiteit van zijn tegenstanders ter discussie stelt, geweld tolereert en de vrijheid van de pers bedreigt. Daarmee voldoet Donald Trump aan de vier kenmerken van autocratisch leiderschap, zo stellen twee Harvard-hoogleraren in hun boek How Democracies Die.

En toch schreven de politicologen Steven Levitsky (1968) en Daniel Ziblatt (1972), kenners op het gebied van autocratisch leiderschap, geen gitzwart boek. Aan de hand van talloze historische voorbeelden van de worsteling van een democratie met autoritaire krachten, laten ze goed zien dat politieke elites hun lot voor een groot deel in eigen hand hebben. Ook de verkiezing van Trump heeft het politiek establishment in Amerika voor een belangrijk deel aan zichzelf te wijten – daarover later meer.

In hun werk borduren Levitsky en Ziblatt voort op een hoogwaardige analyse die alweer veertig jaar geleden verscheen, maar relatief onbekend bleef. In The Breakdown of Democratic Regimes, Crisis, Breakdown and Reequilibration (1978) , verkende de Spaanse socioloog en politicoloog Juan Linz (1926-2013) de dilemma’s voor leiders van een democratie in de omgang met autoritaire krachten.

Linz kon het weten. Als kind, geboren in Bonn, maakte hij zowel de ineenstorting van de Spaanse republiek (1932) als die van Weimar (1933) mee. De vormgeving van Hitler-Duitsland en Mussolini-Italië zag hij als de resultante van een actie-reactie-patroon tussen drie groepen: politici die de bestaande democratische orde willen verdedigen (loyal), krachten die daar kritisch en ambivalent tegenover staan (semi-loyal) en groepen die de democratie omver willen werpen (disloyal).

Grove onderschatting

‘Binnen twee maanden hebben we Hitler in de hoek.’ Deze uitspraak van een Duitse aristocraat, begin 1933, geldt als exemplarisch voor de onderschatting door het establishment van Hitler. Maar er zijn ook succesvolle tegenvoorbeelden uit dezelfde tijd, schrijven Levitsky en Ziblatt. In landen als België en Finland acteerden politieke partijen als effectieve ‘poortwachters’ van de democratie.

In het België van 1936 blokkeerden politici van de heersende Katholieke Partij regeringsdeelname van opkomende extreem-rechtse partijen (Rex en Vlaams Nationaal Verbond). De leiding van de Katholieke Partij besteedde het vuile werk van de confrontatie met Rex uit aan een nieuwe jeugdorganisatie, Katholiek Jeugdfront. Daarmee voorkwam de partijleiding zelfbesmeuring, een veel gemaakte fout waarbij gevestigde politici zichzelf omlaag halen door de retoriek van populisten over te nemen.

Een andere Europese periode die gemakkelijk gitzwart had kunnen eindigen, maar dat niet deed, was 1958. Het is een casus die Juan Linz uitgebreid beschrijft. Frankrijk verkeerde in crisis door de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije. Een burgeroorlog dreigde. De oorlogsheld Charles de Gaulle werd benaderd door mede-generaals voor een coup d’etat.

De Gaulle ging hier niet op in, maar zorgde voor nieuw evenwicht in de Franse democratie. In plaats van af te stevenen op een autoritair bewind, zette hij zijn prestige in voor democratische hervorming: een nieuwe grondwet en een politiek compromis. Rechts kreeg een presidentschap met meer bevoegdheden, links de onafhankelijkheid van Algerije.

Wat de voorafgaande voorbeelden verbindt is politiek vakmanschap, messcherp taxatievermogen en constitutioneel gevoel. Daarnaast is ruimte nodig om te kunnen handelen. De actieradius van nationale politici wordt beperkt door internationale afhankelijkheden, schrijft Linz. Toen moesten ongekozen functionarissen met enorme bevoegdheden als ECB-president Mario Draghi nog komen.

Ook een goede timing is van belang. Het Weimar-establishment kwam te laat. Maar democratische leiders kunnen ook te vroeg reageren, en daardoor zichzelf beschadigen, waarschuwt Linz. Dat gebeurt door maatregelen te nemen die raken aan constitutionele vrijheden (vrijheid van pers, vereniging) zonder een breed gedragen crisisgevoel. Dat tast de legitimiteit van die leiders aan.

Als belangrijk voorbeeld van een establishment dat achter de feiten aanliep, voeren Levitsky en Ziblatt de eerdergenoemde Amerikaanse presidentsverkiezingen op. De autoritaire trekken van Donald Trump hadden zich al tijdens de verkiezingscampagne geopenbaard (‘Lock her up’ over Hillary Clinton, het ophitsen van fans tegen de pers, de legitimiteit van de verkiezingsuitslag bij voorbaat in twijfel trekken). Het establishment was dus gewaarschuwd. Toch weigerden Republikeinse prominenten met forse reserves over Trump (zoals oud-president George Bush jr. ) hun achterban op te roepen voor Clinton te stemmen. Slechts een handjevol gematigde Republikeinen (ja, ze zijn er nog!) deed dat wel.

Daarmee handelden de Republikeinen anders dan conservatieve elites in Frankrijk en Oostenrijk. Bij presidentsverkiezingen daar riepen conservatieve politici hun achterbannen op om kandidaten te steunen die extreem-rechts konden blokkeren. Met succes: Macron (Frankrijk) en Van der Bellen (Oostenrijk) wonnen.

Zelfbeheersing

Welke gevolgen de introductie van Trumps autocratisch leiderschap heeft voor de democratie, is onduidelijk. Vooralsnog beperkt zich dat vooral tot retoriek, schrijven Levitsky en Zibblatt. Verder voorzien ze een verdieping van de polarisatie, mede door raciale tegenstellingen. Belangrijke waarden als zelfbeheersing (‘forbearance’) en bereidheid tot inleving in de positie van de ander, verliezen aan kracht. Daarmee wordt de democratie verder uitgehold.

Linz eindigde zijn analyse in 1978 afstandelijker, neutraler. Terwijl verdedigers van de bestaande orde al snel waarschuwen voor achteruitgang en crisis, kun je ook spreken over het zoeken naar een nieuw evenwicht. Linz schrijft: ‘Geen enkele democratie kan het bestaan van een ultieme set waarden eeuwig garanderen. Democratie is juist gebaseerd op de veronderstelling dat de meerderheid van burgers van tijd tot tijd de voorkeur geeft aan iets anders.’ Het is de taak van leiders om de democratie op prudente wijze van de ene naar de andere fase te begeleiden.