Recensie

Is het zo wél goed, Joni?

Joni Mitchell De eigenzinnige singer-songwriter Joni Mitchell krijgt ondanks haar obsessies en angsten een heldenrol toegedicht in dit enthousiaste boek.

Chuck Mitchell was geen aardige man en talentvol als zanger was hij ook niet – een gebrek dat werd gecompenseerd door een hoge eigendunk. Hij deed denigrerend tegen Joni Anderson, zijn vriendin, met wie hij later trouwde. Zij had veel meer talent en tot grote opluchting van iedereen in haar omgeving, werd de scheiding snel in gang gezet. Wat deed Joni? Ze hield de naam van deze onbenul.

Aan het begin van haar carrière, toen ze nog geen platencontract had maar al wel liedjes schreef, liet ze ‘Both Sides, Now’ horen aan een gezelschap musici, onder wie sessiemuzikant Al Kooper. Die belde onmiddellijk zangeres Judy Collins op die een album aan het afronden was en nog wel een liedje kon gebruiken. De rest is geschiedenis: Joni Mitchell had een hit op haar naam, nog voor ze zelf een plaat had uitgebracht. Wat deed Joni? Aan wie het maar horen wilde, vertelde ze dat Judy Collins haar liedje niet begrepen had.

Aan het eind van haar carrière komt journalist David Yaffe langs voor een oeuvre-omvattend interview. Hij heeft zich grondig in haar verdiept. Het resultaat verschijnt in The New York Times; het is uiterst sympathiek en vol bewondering en liefde geschreven. Wat doet Joni? Ze is woedend over een woord waarmee hij de inrichting had beschreven (‘aards’) en wil nooit meer iets met hem te maken hebben.

Met Chuck Mitchell en Judy Collins is het nooit meer goed gekomen, maar David Yaffe kreeg een herkansing, en mocht haar jaren later nog eens interviewen. Het resultaat is dit boek: Reckless Daughter, geen biografie maar een ‘portret’, aldus de ondertitel. Het ademt een aan ontzag grenzend respect op elke pagina. Onuitgesproken subtekst: ‘Is het zo wél goed, Joni?’

Heldenrol

Reckless Daughter volgt Mitchells carrière strikt chronologisch. Van het folkmuziek-met-gitaar-in-koffiehuis-begin tot de eerste successen, de kritische waardering, de bescheiden hits, en de manier waarop ze zich beweegt in de decadente wereld van de Amerikaanse popmuziek: Yaffe schrijft het keurig op, waarbij een heldenrol voor de onafhankelijke Joni is weggelegd. Dat Joni (Fort Macleod, Canada, 1943) ook onredelijk kon zijn, wordt niet verborgen (al worden de kritische opmerkingen bij voorkeur aan anderen overgelaten: ‘Joni is net zo bescheiden als Mussolini’, wordt opgetekend uit de mond van David Crosby).

Die heldenrol is niet onterecht. Mitchells werk is aan alle kanten bijzonder en haar beste albums worden nog steeds beluisterd. Ze was bovendien niet bang voor verandering. Dat heeft te maken met de onnavolgbare manier waarop ze haar gitaar stemt, iets dat voor een deel uit nood is geboren; als kind had ze polio en de linkerhand is niet sterk genoeg om met volle kracht akkoorden te vormen. Dus stemde ze de gitaar anders. Het is ook een van de redenen dat ze zo graag met jazz-musici werkt; terwijl meespelen met een folk-artiest een kwestie is van de akkoorden volgen – aldus Yaffe een tikje kort door de bocht – vraagt het van een muzikant in Joni Mitchells band dat je op je oren kan vertrouwen. Ze had ook niet veel op met de traditionele manier van opnemen, en wanneer ze voor haar debuutalbum met de beroemde Paul Rothchild kan werken weet ze niet hoe snel ze van hem af moet komen: die man werkte veel te traag.

Ook om haar teksten wordt Mitchell gewaardeerd. Hoewel ze vaak zeer persoonlijk schrijft, doet ze dat zo eigenzinnig dat de literaire associaties niet van de lucht zijn. Leonard Cohen formuleert het fraai: ze was als beginneling al helemaal volgroeid, ‘en kon zo haar eigen invloeden kiezen’. Yaffe gebruikt haar teksten ook zonder enige terughoudendheid om het leven te verklaren, en dat is in het geval van Mitchell wel begrijpelijk.

Er staat veel interessants in dit boek. Over de samenwerking met de stervende Charles Mingus, over geldproblemen, over het toeren. Over haar dochter, die ze ter adoptie had afgestaan, en het gevolg van haar terugkeer. Over een weg vinden in een vijandige omgeving. En, belangrijk bij muziekbiografieën, je krijgt de neiging om opnieuw naar de muziek te gaan luisteren. Haar aftakeling wordt met gevoel voor tragiek maar ook terughoudend beschreven.

Maar dit is niet het definitieve levensverhaal over Joni Mitchell, daarvoor gaat het aan hijgerigheid grenzende enthousiasme toch te veel op de zenuwen werken. Ja, Mitchell was in staat het thuis gezellig te maken, maar moet je daarvoor nou drie keer ‘Our House’ van ex-geliefde Graham Nash citeren? (‘A very very very fine house’.) Is het helemaal eerlijk dat talrijke collega’s zonder enig weerwerk weggezet worden als klootzakken? En is het nodig dat Thomas Dolby, die synthesizerpartijen voor haar maakte, als een geldwolf wordt afgeschilderd? En Nietzsche mag voor Mitchell belangrijk zijn geweest, dat betekent nog niet dat hij profetisch was toen hij schreef: ‘Daar hebben we een musicus, die meer dan welke musicus ook een meester is in het vinden van de tonen uit het rijk van de lijdende, bedrukte, gemartelde zielen’.

Maar dankzij die eerlijke inleiding over dat ongelukkige eerste interview krijg je ook wel weer begrip voor de bijna mythologische manier waarop Yaffe zijn hoofdpersoon neerzet. Het resultaat is een boek dat niet alleen Mitchells obsessies en angsten en onmacht weergeeft, maar dat ook laat zien wat de auteur zelf te vrezen had. Een portret, dat is ze zeker.

    • Bertram Mourits