Recensie

In het sasjajanssenlied duizelt de samenhang

Sasja Janssen Beelden en associaties gaan bij Sasja Janssen op in het vrije en energieke gezang van haar poëzie. Het twaalftal gedichten stemt lyrisch én verontrust.

In het openingsgedicht van haar vierde bundel Happy, ‘Ballade van de dichteres’, zet Sasja Janssen (1968) de relatie tussen dichter en lezer op scherp: ‘We zijn je lezers begonnen er een paar, een papaver smaakt ons / herinneringen ook, maar in een ondoordringbaar canto kunnen / wij ons niet verstaan’. De dichter kaatst terug: ‘lief lezer riep ik uit / met mijn woord verliest u minder en ik geen muze, / wat mij betreft een win win.’ De dichter wil niet beperkt worden tot de herinnering, tot het doorleefde. Al direct echoën hier de regels van Martinus Nijhoff die Janssen tot motto maakte: ‘O God, ik wist niet waarheen ik ging / Maar laat mij uit dit land vandaan, / O laat mij zonder herinnering // En zingend het derde land ingaan.’ Of zoals Janssen dicht: ‘ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte / misschien geen poëzie, / maar mijn troubles over taal verdwenen.’

Nadat ze deze kloof overbrugd heeft, ligt het terrein open en kan de dichter ongestoord zingen: ‘Naar de klote moet ik, kleine woestenij zonder grenzen / met waterdiepten zwaar, want de loop van de aarde verdraait / geen mens gaat mee’. Maar, zo blijkt, herinneringen en het pijnlijk doorleefde laten zich niet gemakkelijk afschudden. In de reeks ballades van de alfahulp volgen we ziektetrajecten niet vanuit de zieke, maar vanuit de verzorger: ‘Het moet, de traagheid, mijn kinderhand tussen haar / benen en ik lach met haar mee, want voor mij is het erger, / ik ben ingehuurd, niet ik ga over twee dagen dood.’

Wat gebeurt er in deze gedichten dat me zo lyrisch stemt, maar tegelijkertijd zo verontrust? In ‘Ginnungagap’ zegt de dichter het zelf: ‘De samenhang duizelt, de lijnen en hun betekenissen, ze maken van / de knoop een kogel, maar ik ben het zelf die ze verknoopt.’ Beelden en associaties raken bij Janssen onafscheidelijk verstrikt, gaan op in het vrije en energieke gezang. Bij elke nieuwe knoop verschuift het perspectief, neemt haar zinderende wereld net weer een andere vorm aan.

Niet zo gek dus dat ‘Ginnungagap’ de titel van dat gedicht is: dat is in de Noordse mythologie een ‘gapende afgrond die geen ruimte inneemt’, waarin werelden zich kunnen vormen. Janssen doorkruist allerlei tijden, ruimtes en culturen: we schieten van een echtscheiding (‘Hoe ik uit het huwelijk gesneden word, de kamers uitgeschopt, voorbij / de stokrozen, hoe ik achterblijf aan de muur in een oliezwarte jurk tussen / zeeslagen op de Noordzee.’) naar het vlechtwerk van de Maas. Tegelijkertijd flitsen we van de Limburgse dorpen Baarlo en Steyl richting het Schotse Hirta, ‘een vulkaaneiland in de Atlantische Oceaan, ongeveer even klein als het / gebied dat mijn scherf in werkelijkheid voorstelt’. Hirta, hert in het Oudnoors, valt weer terug op dat Limburgse dorp: ‘een springend hert, als op het wapen van Baarlo, zinnebeeld voor / Christus, niet mijn verlosser’.

De gedichten van Janssen staan naar alle kanten toe open. Daardoor overrompelt ze met de beelden, plaatsen, emoties en ideeën die ze met elkaar verstrengelt. Het resultaat is een twaalftal uiterst meerduidige gedichten: ze zijn gul én onherbergzaam, weids én ingetogen, eigen én ongekend. Doordat Janssen zich in elke richting oriënteert desoriënteert ze. Lang geleden dat een bundel dat bewerkstelligde.

    • Obe Alkema