‘Ik schrijf over verdwijnen’

Willy Vlautin Jan van Mersbergen sprak zijn Amerikaanse collega-schrijver Willy Vlautin over diens succesvolle nieuwe roman Laat me niet vallen. ‘Niemand kon geloven dat ik een roman kon schrijven. Ik zelf ook niet.’

Jan van Mersbergen: „Je nieuwste boek …” Willy Vlautin: „… is een studie naar eenzaamheid. Schaamte ook.” J: „Een studie, maar dan in de vorm van een verhaal.” W: „Ja, over een jongen die zo slecht over zichzelf denkt dat hij niet op de bus kan komen. Een reisje maken met de bus, dat lukt hem niet.”

J: „Een jongen van Indiaanse afkomst die alleen praat met het meisje achter een winkeldesk.”

W: „Een jongen die denkt dat je alleen liefde kunt krijgen als je iets groots doet.”

J: „Zoals bokskampioen worden.”

W: „In zijn geval wel ja.”

J: „Maar over die bus. Nog net iets schrijnender is de vrouw met de baby in jouw boek die bij een tussenstop uitstapt en niet op tijd terug is. Ze wordt achtergelaten bij het busstation.”

W: „Dat is Horace zijn schuld. Hij voelt dat in ieder geval zo. Constant dat schuldgevoel.”

J: „Werkt schrijven ook zo? Iets groots doen. Gezien worden?”

W: „Ik ben gaan schrijven om te verdwijnen. Ik keek heel graag naar films maar de film die ik wilde leven bestond niet dus toen ben ik hem zelf gaan schrijven.”

J: „Je schrijft inderdaad als een filmer. Heel afstandelijk. Als een camera die verder de lezer niks vertelt. Geen gedachten, geen duiding. Enkel beschrijvingen.”

W: „Dat is de manier waarop ik mijn verhalen vertel.”

J: „Dan zal ik dit gesprek ook zo vertellen.”

W: „Goed.”

J: „Bevalt dat, een camera zijn? Registreren.”

W: „Past bij me. Ik wilde verdwijnen en ik schrijf over verdwijnen.”

J: „Als verteller verdwijn je dus ook?”

W: „Denk ik wel ja.”

J: „Jouw bokser zegt op een gegeven moment tegen die oude man: ‘U moet me maar vergeten.’ Als je schrijft is er één ding wat je niet wilt: vergeten worden.”

W: „Verdwijnen of vergeten worden, ik weet het niet. Ik schrijf over de mensen aan wie je op het eerste gezicht niks ziet, maar die een last meedragen. Iedereen draagt zijn eigen last. Ziekte, verlies... Ik ook. Ik laat de lezer de littekens van Horace zien.”

J: „Of jouw littekens, via Horace?”

W: „Misschien.”

J: „Maar je schrijft geen essay over minderwaardigheid, eenzaamheid, pesten?”

W: „Zeker niet. Ik schrijf hun verhaal. Dichtbij de mensen waar ik over schrijf.”

J: „Die meneer Reese is een goeie man.”

W: „Die man heeft Horace nodig. Hij is als een vader voor hem. Voor die jongen met zijn onrealistische dromen. Die zichzelf steeds straft. En toch blijft hij Horace aanmoedigen bij zijn wedstrijden.”

J: „Dat doet me denken aan Steinbecks Of Mice and Men. De kleine droom van een boerderij waar George alfalfa kan telen voor de konijnen.”

W: „Die droom van meneer Reese en zijn vrouw, aan het einde van hun leven: die beste mensen geven Horace alles. Hun land en boerderij. Een toekomst.”

J: „Heb jij jezelf een toekomst gegeven door te schrijven?”

W: „Niemand kon geloven dat ik een roman kon schrijven. Ikzelf ook niet. Ik was geen slimme leerling maar miste geen dag op school. Ik werkte hard. Nooit een dag gemist. Ik was goed genoeg om misschien op het postkantoor te kunnen werken. En ik schreef dus.”

J: „Voor jezelf?”

W: „Er was niemand anders. Tussen mijn negentiende en vijfendertigste hield ik dat stil. Maar ik schreef wel.”

J: „Om met schrijven naar buiten te durven komen moest ik weg uit Brabant.”

W: „Om de verhalen over mijn mensen er te laten zijn, moest ik bij die mensen blijven. Ik hou van underdog-verhalen. Als ik die las voelde ik me minder eenzaam. Ironweed van William Kennedy. Over een man die zijn baby laat vallen, het kindje breekt zijn nek en overlijdt. Zijn schuld. De man verlaat zijn gezin. Hij straft zichzelf en blijft zich straffen.”

J: „Dat weggaan. Dat zit in mijn romans en ook in al jouw boeken. Mijn boeken beginnen daar. De personages vluchten maar ze beginnen tegelijk met zoeken. Naar zichzelf. Ze maken contact.”

W: „Mijn personages verstoppen zich in bed onder een deken. Horace komt zijn huis niet uit.”

J: „Nou, hij zoekt een trainer, gaat wedstrijden boksen, in andere steden. Daar moet je wel wat voor durven. Iets doen, voor jezelf.”

W: „Dat doet hij eerder omdat boksen hem niks doet. Hij heeft zo veel pijn gehad, hij voelt de pijn niet meer. En het veranderen van omgeving helpt niet. Het werkt niet. Ik kom uit Reno, woon nu in Portland. Niet de omgeving verandert mij. Ik werk en doe dat met alles wat ik heb. Horace is beschadigd, dan krijg je dat. Dan doe je de dingen met alles wat je hebt, waar dan ook.”

J: „Het gras is groener...”

W: „Altijd. Mijn Horace is zo naïef. En dus gewend aan de pijn.”

J: „Hij is wel trots als een beroemde bokser hem ziet boksen.”

W: „Zeker. Horace is diep onder de indruk dat er mensen zijn die hem zien boksen. De entourage, ook al is er maar vijftien man publiek. Ze kijken naar mij! Die verwondering dat je het waard bent om naar gekeken te worden.”

J: „En jij zit nu met een vertaalde roman in een chic hotel in Amsterdam. Ik kom naar je toe omdat jij dat waard bent.”

W: „Ik heb geluk gehad.”

J: „Geluk? Het is jouw werk.”

W: „Ik hou ervan romans te schrijven. Ik ben alleen bang dat ik er slecht in blijk te zijn.”

J: „Die Horace bokst best aardig.”

W: „Maar hij vangt ook klappen.”

J: „En complimentjes ontvangen? Is dat moeilijk?”

W: „Dat voelt altijd goed maar ik kan het nooit geloven. Ik vertrouw het nooit.”

J: „Voor schrijven heb je vertrouwen nodig.”

W: „Geluk. Ik heb geluk gehad. Met bijvoorbeeld zo'n vertaling.”

J: „Heb je vertrouwen in jouw manier van schrijven? Bijvoorbeeld in hoe je de leugen gebruikt? Die gebruik je heel sterk. Horace liegt dat hij een Mexicaan is, omdat Indiaanse mannen te slap zijn om te kunnen boksen. In Lean on Pete wordt de vader door een raam geslagen en belandt in het ziekenhuis. Als een politieman aan de zoon vraagt of er misschien iemand is die op hem kan letten die nacht, zegt de jongen: ‘Mijn oom komt zo.’ Terwijl je weet: er is geen oom.”

W: „Dat is hoe mijn mensen denken, doen en praten. Het is wel eindeloos herschrijven en uitbenen. Kaal maken. Tot ik die taal heb.”

J: „Net zo lang tot jouw roman er is. Tot je daar vertrouwen in hebt.”

W: „Als een verhaal me niet meer ziek maakt in mijn maag, dan is het goed. Nog een teken: als ik langzaam weer ga denken aan een nieuw verhaal.”

J: „Dat is herkenbaar en mooi. Het moment waarop je weer aan iets anders kunt gaan schrijven. Kunt gaan werken.”

W: „Het is hard werken. Ik schrijf zo. Ik heb geen kruiwagens of zilveren lepel gehad zoals die jongens in New York.”

J: „Ik weet wie je bedoelt. De slimste jongetjes van de klas.”

W: „Yes.”

J: „Dat gevoel heb ik als ik Amerikaanse schrijvers uit de grote steden lees. Die show-off.”

W: „Ik moest het zelf doen en net als met mijn baantjes heb ik nooit iets gemist. Alles gedaan om die kans te grijpen.”

J: „Dat heb je gedaan.”

(W zwijgt. Korte stilte.)

J: „Is het moeilijk gevoel in een tekst te krijgen?”

W: „Ik schreef voor werkers. Voor mijn mensen. Dus ik schreef niet te lange stukken over hun mensen. Met veel bloed ook. Ruige verhalen.”

J: „En dat lukte.”

W: „Het is altijd net gelukt. Met mijn moeder al. Zij had altijd een baan dus we zaten aan de goeie kant van de streep, maar we wisten: we zijn slechts twee of drie ongelukkige stappen af van dat het niet goed gaat. Van dakloos worden.”

J : „Wat redde jou? Geluk of keuzes?”

W: „Ik had het geluk dat ik steeds net de goeie keuzes maakte. Het was opstaan en naar m’n werk gaan. Iedere dag. Nooit verzaken.”

J: „Met werken of met schrijven?”

W: „Allebei. Ik kreeg kansen en met schrijven wist ik: deze kans moet ik grijpen.”

J: „Dat is schrijven: naar je werk gaan.”

W: „Ik ben nooit ontslagen. En niet voor niets. Het kwam me niet aanwaaien.”

J: „En toch wilde je verdwijnen?”

W: „Weet je, ik was schilder. Ik schilderde huizen. Ik wilde geen huizen meer schilderen. Zo simpel was het.”

J: „Als ik in Amsterdam vertel dat mijn oom schilder is dan vragen mensen me: ‘Waar exposeert hij?’”

W: „Dat zouden ze in New York ook zeggen.”

J: „Is dat schaamte. Een bokser die geen Indiaan wil zijn maar een Mexicaan. Geen man die in een garage werkt maar een bokskampioen.”

W: „Schaamte en jezelf niet willen laten zien en toch iets willen worden.”

J: „Ik zag ooit een Turkse bokser zijn tegenstander neerslaan en een sprintje trekken naar de hoek om meer tijd te hebben om te rusten.”

W: „Dat is professioneel. Mijn Horace is naïef. Hij slaat hard maar is ook een kip zonder kop. Door zijn last. Hij is beaten-up.”

J: „Die last verpakken in een roman, zijn verhaal er laten zijn, en zelf als schrijver een stapje terugdoen en verdwijnen, dat is je geweldig goed gelukt.”

W: „Thanks.”

    • Jan van Mersbergen