Recensie

Eenzaam op reis met korven vol karpers

Didier Decoin Een 12de-eeuwse weduwe maakt een barre voettocht naar de keizerlijke Japanse vijvers. Deze delicate roman excelleert in zintuiglijkheid.

Wie arm is en wil trouwen kan kiezen voor de weg van ‘de nachtelijke insluiping’. De aanbidder sluipt gewoon een aantal nachten de slaapkamer binnen van de vrouw die hij op het oog heeft. Daarbij doet hij er goed aan bijna naakt te zijn, zodat hij niet verward wordt met een dief. De minnaar wordt ook aangeraden zijn gezicht onder een doek te bedekken zodat zijn teleurstelling niet zichtbaar is als hij wordt afgewezen.

Het is maar een van de vele gewoonten die gelden in het Japan van de twaalfde eeuw, waar zich de roman van de Franse schrijver Didier Decoin afspeelt – een verrassende keuze van uitgeverij Meulenhoff, mooi vertaald door Martine Woudt. Decoin (1945) heeft al een oeuvre van romans en essays op zijn naam, in 1977 kreeg hij al de prix Goncourt en hij was journalist, scenarioschrijver en maakte carrière in de wereld van de televisie.

In zijn roman Vissen voor de keizer sterft Katsuro, de beste karpervisser uit de Japanse provincie Shimotsuke. Hij verdwijnt in een modderstroom van een verzakkende rivieroever – een tegenslag voor zijn dorp Shimae, dat dankzij hem een bevoorrechte relatie onderhoudt met het keizerlijk hof. Katsuro is namelijk hofleverancier van karpers voor de tempelvijvers van de keizer, waardoor zijn dorp wordt vrijgesteld van belastingen. Zijn weduwe, de zevenentwintig-jarige Miyuki, neemt de taak op zich de laatste karpers van haar echtgenoot naar de Dienst Tuinen en Vijvers te brengen. Het is een voettocht van honderden kilometers, met de zware korven vol water en uitverkoren karpers balancerend op haar rug. Op haar tocht maakt de vrouw kennis met het leven buiten haar dorp. Onderweg is ze beducht voor de kappa, ‘een klein waterwezen met groenige schubben op zijn lijf, een soort kruising tussen een aap en een kikker’, waarvan bekend is dat hij ‘zijn handen met zowel klauwen als zwemvliezen eraan in de anus van zijn slachtoffers duwt, omhoog tot hun lever, die hij er dan uitrukt om zich er tegoed aan te doen’. Alleen met een komkommer valt de vraatzucht van de kappa af te kopen. Gevaarlijker nog zijn de mensen die haar onderweg belagen: piraten, soldaten, dieven. Er blijken bovendien grote conflicten te sluimeren in het keizerrijk.

Decoin excelleert in zintuiglijkheid. Een geur doet denken aan ‘misselijkheid, vergane schoonheid en de dood van vogels’. Water heeft ‘een flauwe, licht knoflookachtige smaak, met een nasmaak van selderij en champignons’. Jurken hebben de kleur van ‘een rode pruimenboom’, ‘blauwe bosbessen’ of ‘paarse asters’.

De barre, eenzame tocht van de vrouw die zichzelf, ondanks alle obstakels, de opdracht heeft gegeven haar mans werk tot een goed einde te brengen is een mooie metafoor voor een wereldlijke en spirituele initiatie.

Vissen voor de keizer is een delicate en sensuele roman, zoals het in Frankrijk al genoemd is. Maar Decoin schreef ook een ode aan het huwelijk en een uitnodiging voor een poëtische pelgrimstocht: ‘de volmaaktste zekerheid is wankel, onbestendig en twijfelachtig. Wat vanochtend in de regen nog waar lijkt, is misschien een leugen wanneer de wolk is overgedreven.’

    • Margot Dijkgraaf