Recensie

De mythische Europese weg

Geschiedenis Mathijs Deen brengt een ode aan wegen als symbool van zowel de nomadische Europeaan als de Europese eenheid.

De Transfagarasan in Roemenië, een van de mooiste wegen van Europa FOTO Getty Images / iStock

Het klonk als een terloopse opmerking van de vader van Mathijs Deen over een stuk autoweg tussen Twente en de Utrechtse Heuvelrug. De woorden blijken voldoende om zijn zoon te inspireren tot een groots boek over wegen in Europa. Het is 1968, Mathijs is een jaar of zes, zit op de achterbank en hoort zijn vader zeggen: ‘Dit is de E8. Die loopt van Londen naar Moskou’.

De afstand meet niet meer dan honderd kilometer, toch heeft zoon Deen de indruk dat de autorit onderdeel uitmaakte van ‘iets wat veel groter was’, van een grensoverschrijdende onderneming die verre continenten met elkaar verbindt.

In Over oude wegen. De geschiedenis van Europa brengt hij een ode aan wegen als symbool van de nomadische Europeaan. Mensen zijn altijd op drift, stelt hij, altijd onderweg, van de vroegste tijd tot nu. Evenals in zijn succesvolle boek De Wadden (2013) definieert hij geschiedenis als ‘een reeks gebeurtenissen, verbanden, oorzaken, gevolgen’ tegen de achtergrond van de verstrijkende tijd. Deens Europese reis is een tweevoudige, een geografische en een historische. Dat laatste is als een tijdreis, waarin hij de betekenis van wegen door de eeuwen heen beschrijft. In geografisch opzicht reist hij van oost naar west, van noord naar zuid.

Hij verbaast zich erover dat het netwerk van doorgaande routes dat is uitgesponnen over Europa niet tot de collectieve verbeelding spreekt en geen deel uitmaakt van de identiteit van Europeanen, zoals dat in Amerika met Route 66 wel het geval is. In zijn boek krijgen wegen een epische dimensie. Hij is gefascineerd door mensen in beweging, uit vrije wil of gedwongen door omstandigheden.

In Genève bezoekt Deen het hoofdkantoor waar in de jaren vijftig het plan werd ontworpen voor trajecten die steden met elkaar verbinden. Maar dat is niet het begin, dat ligt in de verre oertijd. ‘Lang voordat er voor het eerst reizigers Europa binnentrokken, waren er al drenkelingen aangespoeld’, schrijft hij. En ook mensen afkomstig uit Afrika, die aan de overkant een nieuw bestaan zochten. Vanaf dat ogenblik ontstaan er paden en wegen over land, langs rivieren, door bossen en valleien.

Deen beschikt over een indrukwekkende historische kennis die hem in staat stelt moeiteloos door de eeuwen heen te reizen, over de Via Appia naar de vluchtwegen van hen die vanwege hun geloof werden vervolgd. In de 17de eeuw was er zelfs een ‘gebed voor reysende lieden’ van kracht waarin de reiziger de ‘Heylige Vader’ aansprak en smeekte om ‘bescherming uwer lieve Engelen, dat ick seecker sy voor Moordernaars, en Rovers’.

Mensen zoeken het gevaar ook op, zoals blijkt uit de meeslepende apotheose over de autoraces die de elite rond 1900 hield. In monsterlijke wagens, waarvan de motoren te zwaar waren voor het chassis, scheurden ze van Parijs naar Wenen in de onwaarschijnlijke tijd van 15 uur en 47 minuten. Om zicht te krijgen op deze races ontmoet Deen historicus Philipp Blom, auteur van De duizelingwekkende jaren. Europa 1900-1914, die een beeld geeft van de races van destijds. Die kwamen voort uit een heilig geloof in techniek en vooruitgang. Maar er was meer: Duitsland en Frankrijk, elkaars verklaarde vijanden, hadden zich verzoend. Grenzen gingen open voor coureurs. Dankzij de wegen heerste er een sterk geloof in Europese eenwording. Een mooie gedachte: als je landen met elkaar verbindt, is de vrede nabij.

Tijdens een bezoek aan Evert Louwman, de Haagse auto-importeur in het bezit van een racewagen uit 1903, komt Deen dichtbij de races van toen. Als de wagen eenmaal is gestart, klinkt het geluid van de motor ‘als muziek van Tsjaikovski’, zoals Louwman opmerkt. Vervolgens schakelt Deen over van het heden naar ruim honderd jaar terug. Hij volgt de Franse racefanaat Charles Jarrott tijdens zijn tocht. De snelheidsduivels crossten langs dorpen en vormden gevaar voor mens en dier. En zichzelf. Ze moesten de barre Alpen over, scheurden langs ravijnen, lieten hun auto’s roekeloos afdalen. Dit alles beschrijft Deen met grote passie, waarbij hij de pioniers Renault en Citroën tot leven brengt.

Deze aristocratische uitbundigheid staat in schril contrast tot het laatste hoofdstuk over de tocht van een oudere, Marokkaanse man naar zijn familie in het noorden van Europa. Zijn dorp is leeg, mensen hebben oude wegen verlaten op zoek naar nieuwe wegen voor geluk. Ook deze man begeeft zich op weg om zich te herenigen met zonen, dochters, kleinkinderen. Hier is de toon berustend en ontroerend, want de weg die deze man gaat is óók de laatste weg, die naar de dood. Met dit slot drukt Deen prachtig uit dat elke weg een levensweg is.