Vijf vragen over het nieuwe partnerverlof

Geboorteverlof Het partnerverlof na de geboorte van een baby gaat volgend jaar van twee naar vijf dagen, een jaar later komt daar nog vijf weken deels doorbetaald verlof bij. Dat staat in het nieuwe wetsvoorstel dat het kabinet woensdag presenteerde.

Diverse organisaties voerden in april vorig jaar actie voor langer vaderschapsverlof op het plein voor de Tweede Kamer in Den Haag. Foto Dirk Hol/Novum

Het verlof van partners na de geboorte van een kind wordt uitgebreid. Dat werd afgesproken in het regeerakkoord en is nu door minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) uitgewerkt in een wetsvoorstel dat woensdag is gepresenteerd. Partners hebben nu nog recht op twee dagen betaald verlof en drie dagen onbetaald verlof. Dat worden vijf betaalde dagen geboorteverlof plus vijf weken aanvullend geboorteverlof.

De stap van twee dagen naar zes weken is „echt enorm”, zegt Ilze Smit van Platform Vaderschap van Rutgers, kenniscentrum voor seksualiteit. Zij verwacht dat vaders meer betrokken raken bij de zorg voor hun kinderen. Dat hoopt ook Renske Keizer, hoogleraar familiesociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Ik ben heel blij dat we nu erkennen dat de rol van vaders heel belangrijk is.” Vijf vragen over het wetsvoorstel:

  1. Wat houdt het kabinetsplan precies in?

    Volgens het wetsvoorstel Invoering extra geboorteverlof (WIEG) kunnen partners volgend jaar vijf dagen betaald geboorteverlof opnemen, op basis van een voltijdsbaan. De werkgever betaalt dat. In 2020 komen daar vijf weken aanvullend geboorteverlof bij, deels betaald (70 procent) door uitkeringsinstantie UWV. Dit aanvullende verlof moet worden opgenomen in het eerste half jaar na de geboorte. Om verwarring in de verlofterminologie te voorkomen: het heet dus voortaan ‘geboorteverlof’ in plaats van kraamverlof. Dat is weer iets anders dan ouderschapsverlof: het verlof dat ouders onbetaald kunnen opnemen tot de achtste verjaardag van het kind. Dat was en blijft 26 keer de arbeidsduur.

    Het geboorteverlof geldt alleen voor partners in loondienst. Zelfstandigen bepalen en betalen hun eigen verlofperiodes. Dit is, schrijft Koolmees in zijn toelichting op het wetsvoorstel, inherent aan het zelfstandig ondernemerschap. Komende maand kunnen burgers en belanghebbenden reageren op het voorstel.

  2. Wat wil het kabinet ermee bereiken?

    Partners die direct na de geboorte van hun kind verlof opnemen, zo heeft onderzoek aangetoond, zijn later meer betrokken bij de opvoeding. Het is bovendien beter voor de ontwikkeling van het kind als beide ouders in een vroeg stadium betrokken zijn bij de zorg en opvoeding. Voor de moeder is het niet alleen prettig dat haar partner na de geboorte kan bijdragen aan de zorg voor de baby, de verwachting is ook dat de verdeling in werk- en zorgtaken eerlijker wordt als beide ouders langer thuis kunnen zijn.

    Nederlandse moeders gaan na de geboorte van een kind vaak minder werken. Als ze er langere tijd uit zijn door zwangerschaps- en geboorteverlof kan dat hun carrière negatief beïnvloeden. Het kabinet hoopt dat als vaders (of tweede moeders) óók langer verlof opnemen, die negatieve carrière-effecten minder zwaar wegen. Want dan zijn ook mannen langere tijd afwezig, en worden rolpatronen wellicht minder snel in het ‘nadeel’ van vrouwen vastgelegd.

  3. Gaan vaders dat aanvullend verlof wel opnemen?

    In andere landen waar ruimschoots betaald verlof voor vaders is geïntroduceerd, zoals in de Scandinavische landen, Duitsland en Portugal, in ieder geval wel. En ook Nederlandse vaders willen graag meer zorgen, blijkt uit onderzoek van Motivaction en Women Inc.: zeker 60 procent van de vaders wil meer tijd met hun kinderen doorbrengen. En toch gaan ze na de geboorte van een kind juist méér werken. Dat komt, zegt Ilze Smit van Rutgers, doordat veel Nederlandse vaders kostwinner zijn. Maar als deze nieuwe wet er komt, verwacht Smit, zal op de werkvloer gevraagd worden aan een aanstaande vader of hij van plan is geboorteverlof op te nemen. „Daarmee wordt het vanzelf normaler en makkelijker om die keuze te maken.”

  4. Waarom heeft een langer geboorteverlof voor partners zo lang op zich laten wachten?

    Waarschijnlijk was de nood niet hoog genoeg. Nergens ter wereld werken vrouwen zo vaak in deeltijd als in Nederland. En een groot deel van hen vindt dat wel prima. Waar in Nederland driekwart van de werkende vrouwen een deeltijdbaan heeft, is het gemiddelde in de Europese Unie iets meer dan 30 procent. De komst van een kind is voor veel Nederlandse vrouwen reden om nog minder te gaan werken dan ze al deden. Omdat dat kán, zowel bij de meeste werkgevers als financieel, en omdat dat diep ingesleten is de Nederlandse cultuur. Hoogleraar Renske Keizer: „Het wordt van oudsher als een luxe gezien dat vrouwen niet voltijds hoeven werken.” De samenleving is er volledig op ingericht, met regelingen als het weduwepensioen, maar ook de kwaliteit en relatief hoge kosten van de kinderopvang.

    Lees ook het commentaar van 20 juli van 2017 over het partnerverlof

    Maar inmiddels is de maatschappij aan het veranderen, zegt Smit. „Er is een kentering gaande. Vaders willen meer zorgen en bij hun kind betrokken zijn.” Dit blijkt bijvoorbeeld uit bedrijven zoals ING en Microsoft die op eigen initiatief betaald vaderschapsverlof invoeren.

  5. Is het hiermee dan goed geregeld?

    De Sociaal Economische Raad (SER) vindt van niet. Die publiceerde vorige week een advies, gebaseerd op de kabinetsplannen. De SER vindt dat ook het betaalde verlof van moeders moet worden uitgebreid. De financiering van het extra betaalde verlof moet volgens de raad bovendien niet alleen bij de werkgevers liggen, maar is ook een overheidsverantwoordelijkheid. Het dient het algemeen belang en zal bovendien worden terugverdiend door bijvoorbeeld een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen.

    Daarnaast vindt de SER dat het loon zes weken volledig moet worden doorbetaald, niet gedeeltelijk. De raad vreest dat voor veel partners doorbetaling van 70 procent van het loon niet voldoende is. Dat denkt ook hoogleraar Renske Keizer: „In gezinnen waar men moeite heeft met rondkomen, kan die 30 procent verschil een grote barrière zijn. Ik zou er eerder voor kiezen om de hoogte van uitbetaling te laten afhangen van het gezinsinkomen.”

    • Anne Dohmen