Brieven

Brieven 21/2

Referendum (1)

Enkele kanttekeningen

Een aantal politicologen en bestuurskundigen heeft ervoor gewaarschuwd dat, als het raadgevend referendum weggestemd wordt, dit het wantrouwen van lager- en middelbaar opgeleiden in de politiek bevestigt (Natuurlijk een referendum over het referendum, 19/2). Zij pleiten er daarom voor de intrekkingswet onderwerp van een referendum te laten zijn. Bij enkele van de aangevoerde argumenten zijn kanttekeningen te maken. Zo is het argument dat lager- en middelbaar opgeleiden inhoudelijk minder goed gerepresenteerd worden, bevreemdend in een tijd waarin in parlement, Provinciale Staten en gemeenteraden het politieke spectrum enorm verbreed is. De auteurs schrijven dat het door de regering aangevoerde argument van ‘afbrokkelende politieke steun’ mogelijk naar verminderde steun in het parlement verwijst. In dat geval, zo schrijven zij, is sprake van een cirkelredenatie. Maar dit argument houdt alleen stand als de aanname klopt dat regering en parlement een kartel vormen en het parlement de bevolking niet representeert. Dat het referendum een grotere doorsnede van de bevolking bij de besluitvorming betrekt, gaat voorbij aan het tegenargument dat bij politieke besluitvorming primair de inhoudelijke kwaliteit van het debat doorslaggevend moet zijn en pas in tweede instantie de hoeveelheid deelnemers. Ten slotte bestaat de paradox dat als je een regel (c.q. referendum) op zijn kwaliteit wilt beoordelen, je dit niet kunt doen door het oordeel over de regel aan deze regel te onderwerpen.

Referendum (2)

Alleen deskundigen

Het was in de jaren zestig van de vorige eeuw. Studenten eisten inspraak bij de samenstelling van de boekenlijst bij tentamens politicologie in Amsterdam. Professor Daudt vond dit zo belachelijk dat hij weigerde op die manier zijn professoraat te vervullen. Hoe kunnen studenten oordelen over hoe de studie eruit moet zien waar ze zelf nog aan moeten beginnen, of mee bezig zijn, en op dat terrein dus niet deskundig zijn? Hieraan moest ik denken toen ik het artikel van een aantal hooggeleerde dames en heren las, die vinden dat de bevolking zich door middel van referenda over diverse zaken moeten kunnen uitspreken (Natuurlijk een referendum over het referendum, 19/2). Ik vind – en met mij vele hoogopgeleiden – dat een referendum alleen moet plaatsvinden als het gaat om heel heldere zaken, waar ook een gewone burger verstand van zal hebben. Ingewikkelde zaken (bijvoorbeeld over Europa, Oekraïne) moet je overlaten aan deskundigen, waarvan we hopen dat er in het parlement genoeg aanwezig zijn.

Eerste Kamer

Chambre de (ré)flexion

De Eerste Kamer besloot in 2014 dat het wijs was een kiesdrempel toe te voegen aan een raadgevend referendum. Alsof aan een lage opkomst geen conclusie valt te verbinden. Vorige week werd aan de donorwet een doorslaggevende stem voor de nabestaanden toegevoegd. Alsof zelfbeschikking afhankelijk is van wat anderen ervan vinden. In beide gevallen slaagde de Eerste Kamer erin na lang nadenken (réflexion) de strekking van een wet flink om te buigen (flexion). Misschien moet de sierlijke bijnaam van de Eerste Kamer van een kleine doorhaling worden voorzien?

Roken

Ook de filmindustrie

Steeds meer partijen sluiten zich aan bij de strijd van Bénédicte Ficq tegen de tabakscultuur en tegen de sigarettenfabrikant (‘Ik hoop dat het in hun bek ontploft’, 12/2). Maar er is nog een boosdoener: de filmindustrie. Je hoort er bijna nooit iemand over, maar waarom moet er in films en series zo veel gerookt worden? Oké, Churchill in Darkest Hour krijgt zijn sigaar, begrijpelijk, maar je kunt bijna geen film bekijken, of er wordt stevig gepaft. Zelfs rolmodellen als Birgitte Nyborg, de premier uit de serie Borgen, steekt zo nu en dan een sigaret op. Laten we ons daar ook eens sterk voor maken en daartegen ageren; dat een film zich afspeelt in een tijd dat er overal gerookt wordt snappen we ook wel zonder sigarettenrook, om over de gezondheid van acteurs en meerokende cameramensen en andere medewerkers op de set maar niet te spreken.