Column

Boerenovertrek

Ik was vanwege een inboedelverdeling in Middelbeers, het dorp waar mijn vader werd geboren en waar de tijd geen vat op lijkt te hebben. Ik stond tussen meer dan twintig neven en nichten in een rijtjeshuis waar we allemaal, een enkeling daargelaten, zelden op bezoek waren geweest.

Ik herinnerde me één visite aan de kinderloos gebleven tante met een koekje en een thuishulp. Er kwamen geen bijzondere herinneringen aan mijn vader boven water die middag, wel een foto van hem als dienstplichtig militair in Indonesië.

Afgelopen weekend was ik er weer. Ik liep door dat huis en sleepte een opgerold vloerkleed, een koekoeksklok en een Brabants stilleven naar de auto.

„Hoezo eigenlijk een koekoeksklok?”, vroeg de vriendin, die nog nooit zoveel verwanten van mij tegelijkertijd had gezien. We waren dusdanig onder de indruk van mijn Brabantse roots dat we voor een pilsje naar de enige kroeg die open was in het dorp gingen.

Café De Doornboom, mooie gedachte dat mijn vader hier meer dan een halve eeuw eerder ook weleens naar binnen moest zijn gestapt.

Een tafereel uit een andere tijd.

Dertig man in boerenkiel, ze keken allemaal onze kant op.

Terechte vraag van de vriendin aan de vrouw achter de tap: „Is het hier nog steeds carnaval?”

Antwoord: „Nee, dit is een boerenovertrek.”

De vriendin keek me vragend aan, maar ik had er ook nog nooit van gehoord.

De barvrouw keihard: „Zullie witten nie wa een boerenovertrek is.” Uitleg van zes boerenkielen tegelijkertijd.

„Als je op jezelf gaat wonen, leg je met je vrienden de afstand tussen het ouderlijk huis en de nieuwe woning lopend af. En onderweg stop je dan in alle kroegen.”

Daarna: „En daar drink je dan bier!”

Het concept was duidelijk.

Ik vroeg hoe dat ging als je vanuit het ouderlijk huis naar bijvoorbeeld Amsterdam vertrok. Dit probleem werd weggelachen, zoiets hadden ze nog nooit aan de hand gehad.

„Hoezo?”

Het feestvarken dat uit huis ging, werd erbij gehaald. Hij heette Edwin en verhuisde van de Middelbeers naar Knegsel, dat was al ver, ze hadden nog heel wat kroegen te gaan.

Ik vertelde dat mijn vader uit Middelbeers kwam en mijn moeder uit Oirschot, dat ze elkaar hadden leren kennen in de bus en dat ze direct na hun huwelijk naar Arnhem waren verhuisd.

„Dat heet een dubbele boerenovertrek”, zei hij, en voor de rest vond hij het een totaal ongeloofwaardig verhaal.

Op de terugweg, ergens voorbij Utrecht, begon die koekoeksklok. We hebben hem in de schuur gehangen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.