‘Wat VN zeggen over de Rohingya, kan nepnieuws zijn’

(Sociale) media in Birma

Sociale media zijn in Birma van groot belang bij het sturen van de beeldvorming over de Rohingya-vluchtelingen. „Traditionele media vertrouw ik niet.”

Op deze foto, gemaakt op 9 februari, zouden met bulldozers platgewalste dorpen in Rakhine te zien zijn. De Birmese overheid probeert zo bewijs te vernietigen van moorden op Rohingya-moslims, bevestigde Chris Lewa eerder deze week in een interview met The Guardian. Lewa is verbonden aan het Arakan Project, dat zich voor de Rohingya inzet en goede contacten in de noordwestelijke deelstaat heeft. Ze vertelt in de Britse krant over een massagraf in het dorp Maung Nu, waar volgens Human Rights Watch vorige zomer tientallen Rohingya zijn gedood. Foto AFP

Natuurlijk zijn de meeste nieuwspagina’s op Facebook onbetrouwbaar, zegt Win Myat Kyaw. Dus meestal leest hij meerdere verhalen over een onderwerp dat in het nieuws is en bedenkt dan zelf wat waarschijnlijk waar is.

Kyaw studeert geneeskunde in Rangoon, de grootste stad van Birma. Hij leest nog wel eens een krant, maar Facebook is zijn belangrijkste bron voor nieuws, vertelt hij boven een bak noedels in een theehuis, dé ontmoetingsplek voor Birmezen. De ventilatoren aan het plafond draaien niet snel genoeg om de vliegen te verjagen.

Hij denkt genuanceerd over de Rohingya, moslims die de voorbije maanden uit de westelijke deelstaat Rakhine zijn verjaagd en vermoord. „Sommige moslims zijn gewoon inheems en wonen er al lang. Zij moeten terug naar huis kunnen.” De staatspropaganda zet de Rohingya neer als illegale migranten uit Bangladesh, die niet in Birma thuishoren.

Lees ook: Kunnen daders van slachting Rohingya worden berecht?

‘Facebook ís het internet’

Alleen zegt Kyaw ook dat hij de berichten van de Verenigde Naties niet vertrouwt, bijvoorbeeld over het aantal gevluchte moslims naar Bangladesh – het zijn er volgens de Verenigde Naties zeker 655.000 sinds het geweld losbarstte, vorig jaar zomer. „Ik zit hier in Rangoon al ver weg, maar de VN zijn nog veel verder weg. Ik vraag me af of het klopt wat zij zeggen, het kan nepnieuws zijn.”

Kyaws wantrouwen laat zien hoe lastig het is voor Birmezen zich goed te informeren over wat in hun land speelt. Zeker als het over iets gevoeligs als de Rohingya-crisis gaat, waarbij overheid en leger er een heel andere waarheid op nahouden dan die van de internationale gemeenschap.

Meer dan in andere landen heeft Facebook in die nieuwsvoorziening een cruciale rol. Birmezen gebruiken het zoekvenster in de Facebook-applicatie als Google. „Facebook ís het internet, zeggen ze hier. Dat is voor een groot deel waar”, zegt Jes Kaliebe Petersen van technologiebedrijf Phandeeyar in Rangoon. Hij kiest zijn woorden voorzichtig: het is mooi dat zoveel mensen via Facebook online aanhaken. „Maar het zou in het algemeen belang zijn als hier een diverse internetsamenleving ontstaat – en de informatievoorziening niet tot één bron beperkt blijft.”

Bekijk ook de video: Rohingya: Wat doe je als je eigen land je haat?

In de meeste landen had men jaren de tijd aan internet te wennen, in Birma was het er ineens. Niet via computers of laptops, via de telefoon. Tot 2013 had de staat het monopolie op telefoondiensten. Een simkaart kostte een paar duizend dollar, was alleen weggelegd voor de rijke elite. Nu heeft 90 procent toegang tot een telefoon; meestal een smartphone met internet. De Facebook-applicatie zit er vaak standaard op.

Voor de overheid is Facebook een efficiënt communicatiemiddel. De schrijvende pers haalt nieuws ook vaak van Facebook, vertelt Naw Betty Han die schrijft voor de Myanmar Times. Laatst gingen geruchten over een herschikking in het kabinet. Dan leest ze eerst op Facebook een ontkenning van de geruchten – nepnieuws! – en later de officiële aankondiging dat het tóch waar is.

Hoe zit het met de ‘oude’ media, kranten, tv en radio? Die heeft Ko Hlein Naung, boeddhist uit Rangoon, afgeschreven sinds hij Facebook heeft. Hij is 26 jaar en zit in de digitale marketing. „We hadden heel lang twee nationale tv-zenders, nu zijn er zoveel commerciële omroepen. Die doen alleen aan entertainment, niet aan serieus nieuws.” Daarvoor gaat hij naar Facebook, al gelooft hij niet alles: „Ik lees eerst officiële pagina’s. Die vergelijk ik dan met elkaar en die combineer ik met wat ik zelf al weet.”

De staatspropaganda zet de Rohingya neer als illegale migranten uit Bangladesh, die niet in Birma thuishoren.

Van de Rohingya-crisis denkt Ko Hlein Naung het zijne. „Internationale en lokale media brengen heel verschillende verhalen. Ik vertrouw ze beide niet.” Hij denkt dat in Rakhine „twee kleine groepen terroristen” met elkaar vechten, de moslims en de boeddhistische inwoners uit het gebied. „Het leger kan ook op een slechte manier betrokken zijn. Alleen daar heeft niemand bewijs van.”

In werkelijkheid hadden het leger en de boeddhistische Rakhine samen een grote overmacht en konden de Rohingya weinig anders doen dan vluchten. Ko Hlein Naung mag tech savvy zijn met zijn twee smartphones, maar deze feiten achterhalen lukt hem niet.

De meeste Birmezen zijn niet handig met hun telefoon. In Rangoon bieden mannetjes voor een paar dollar aan je Facebook-account aan te maken. In 2016 had volgens denktank Lirneasia 21 procent van de Birmezen wel eens zelfstandig iets op internet opgezocht, dus buiten Facebook om. 11 procent kon dit alleen met hulp van anderen – de meerderheid had dit nog nooit gedaan.

Cruciaal in de informatie over de Rohingya-crisis blijft de propaganda die de overheid en vooral het leger verspreiden: dat de Rohingya terroristen zijn, die het voortbestaan van het land bedreigen. De traditionele media nemen dit soort perspectieven over, ook op hun Facebook-pagina’s.

Kranten worden in hun werk belemmerd, vertelt journaliste Naw Betty Han, soms om de kleinste dingen. Zo had ze een voor het leger onwelgevallige bijnaam gebruikt in één van haar artikelen. „Mijn baas heeft een excuusbrief gestuurd en geschreven dat ik het niet meer zal doen.”

Lees ook de reportage die correspondent Joeri Boom eerder maakte bij de Rohingya: ‘We hebben hier niets behalve veiligheid’
    • Annemarie Kas