Stervensnood? De lokale democratie doet ’t prima

Wim Voermans en Geerten Waling Zijn raadsleden dommerdjes in een antiek stelsel? Nee, zeggen de auteurs van Gemeenten in de genen. Bestuurders die experimenten willen, zoeken slechts draagvlak voor eigen plannen.

Geerten Waling (links) en Wim Voermans: „Burgemeesters zien hun achterban slinken en denken dan dat de democratie niet meer functioneert.” Foto Bram Budel

„Ik schrijf altijd van die doodsaaie stukken”, zegt Wim Voermans vrolijk. Intussen ziet hij er allerminst saai uit: zwart-grijze manen, een glimmend gestreept pochet, vijf verschillende kleuren knopen aan zijn mouwen. Dit is een man die graag toont wie hij is.

Zo ook in zijn nieuwe boek, waarin de 56-jarige hoogleraar staatsrecht breekt met die traditie van doodsaaiheid. Gemeenten in de genen, geschreven samen met historicus Geerten Waling (31), is polemisch, branieachtig opgewekt en gevuld met metaforen.

Ze vertellen er samen over, naast elkaar aan een cafétafel. Voermans praat met bijna niet te onderbreken enthousiasme, maar hij vergeet niet Waling – net als hij verbonden aan de Leidse universiteit – te overladen met egards. „Het schrijven van boeken heb ik van Geerten”, zegt hij. Waling publiceerde eerder vijf boeken voor een groter publiek, vaak over het thema democratie.

Gemeenten in de genen gaat opnieuw over democratie, een onderwerp waarop ze beiden „verliefd” zijn, aldus Voermans. Kort samengevat: de lokale democratie functioneert prima. Burgemeesters en wethouders doen graag alsof die democratie „in stervensnood” verkeert, om vervolgens te komen met hippe experimenten om de patiënt te helpen: burgerbegrotingen, ‘wisselzetels’ in de raad voor gewone burgers, burgertoppen zoals de G1000. Hiermee ondermijnen deze bestuurders het gezag van de gemeenteraad.

Voermans: „Bestuurders zeggen aan de lopende band dat de raad niet de gemeente vertegenwoordigt. Ze zetten raadsleden weg als sufferdjes, dommerdjes. En vervolgens gebruiken ze democratische experimenten om te zoeken naar draagvlak voor hun eigen plannen.”

Hij maakt zich vooral kwaad over Code Oranje, een initiatief onder leiding van burgemeester Bert Blase van Heerhugowaard om ‘de nieuwe democratie te realiseren’ met experimenten zoals gelote burgerraden. Voermans: „Code Oranje is een institutionele verdachtmaking van de gemeenteraad. Maar als je ertegen bent, dan ben je van de oude hap. ‘Denk toch eens fris!’ zeggen ze dan.”

Code Oranje is typisch een idee van burgemeesters die „die denken dat de wereld omvalt, omdat hún wereld omvalt”, zegt Voermans. „84 procent van de burgemeesters komt uit VVD, PvdA of CDA. Die zien hun achterban slinken en denken dan dat de democratie niet meer functioneert.”

Waling: „Op ministeries word je doodgegooid met auteurs als David Van Reybrouck en Benjamin Barber, die ook schrijven dat er een crisis is in de democratie.”

Voermans: „Maar dat zijn populaire boeken. De echte onderzoeken wijzen de andere kant op. Politicoloog Tom van der Meer schreef het vorig jaar nog in Niet de kiezer is gek: de kiezer heeft helemaal niet minder vertrouwen in de democratie. De kiezer is gaan kiezen.”

Als de democratie zo fantastisch functioneert, waarom pleiten jullie dan wel voor referenda?

Voermans: „Een referendum kan nuttig zijn wanneer de meerderheid in het parlement iets anders vindt dan de meerderheid van de samenleving. En uit veel onderzoek blijkt dat mensen het graag zouden willen. Bij veel mensen is democratie: ik wil niet meedenken, ik wil ‘ja’ of ‘nee’ kunnen zeggen. Die hebben helemaal geen trek in zo’n burgertop.”

Hebben jullie dat zelf ook gezien?

Voermans: „Ik heb bij een stel G1000’s gezeten en de mensen die je daar ziet zijn nogal eens NRC-publiek, hoogopgeleide mensen. En de laagopgeleiden die wel komen, snappen soms niet hoe het werkt. Dan zegt iemand aan hun tafel: ‘dit lijkt op Aristoteles’ vormen van bestuur!’ En dan denken ze: wie is Aristoteles?”

Jullie schrijven dat de democratische experimenten tot teleurstellingen bij burgers kunnen leiden. Hebben jullie daar een voorbeeld van?

Waling: „In Enschede was er een G1000 over vuurwerk. Die resulteerde in zes voorstellen, waarvan er drie werden aangenomen. Dat waren de drie die het college sowieso al wilde. Dat had dus ook in de gemeenteraad besloten kunnen worden.”

Voermans: „Zo laat je democratische energie weglekken.”

Jullie betogen dat het referendum de kans moet krijgen zich te bewijzen. Geldt dat niet ook voor deze experimenten?

Voermans: „Het is goed als politici met burgers praten, maar niet als ze voorselecteren wie ze spreken, hun gelijk ophalen, en dan terug naar de gemeenteraad gaan en zeggen: de gemeente wil dit!”

Bovendien moeten ze niet suggereren dat conflict en polarisatie zullen verdwijnen wanneer burgers met elkaar in een burgertop zitten, zegt Voermans: „Bestuurders die praten over de crisis in de democratie zeggen: ‘Mensen zijn politiek zat. Die willen apolitieke bestuurders, zoals ik.’ Maar apolitiek is óók politiek!”

Opvallend aan Gemeenten in de genen is vooral het bijna kolderieke laatste hoofdstuk over het onderzoek naar de gemeenteraad dat Voermans in 2016 deed in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Met veel gevoel voor drama schetst Voermans het bezoekje dat hij kreeg van een VNG-directielid dat hem met klem adviseerde langer de tijd te nemen „om de stand van het onderzoek nog evenwichtiger te maken”. Voermans beschrijft hoe hij er langzaam achter kwam dat de VNG graag een wat minder positief verhaal had gewild over de gemeenteraad.

Denken jullie dat het laatste hoofdstuk veel goodwill gaat kweken bij bestuurders?

Voermans, laconiek: „Het is een illustratie van iets. Op het congres waar ik dat rapport over de gemeenteraad presenteerde, waren alleen bestuurders, er was niemand in die zaal die de stem van de gemeenten vertegenwoordigde.”

Gaat het boek iets veranderen?

Waling: „Het hangt ervan af wie het gaat lezen. We hebben veel connecties op ministeries, in de bestuurderswereld. Gaan die mensen ook geïnteresseerd zijn om het te lezen? Maar het is ook fantastisch als veel raadsleden zich erin herkennen.”

Voermans: „Het boek is een hart onder de riem van al die raadsleden. Het zijn kanjers, want je verdient er niks mee.”

De stijl van jullie boek is opvallend: veel beeldspraak en sfeerbeschrijvingen. Dat zie je niet vaak bij politicologische boeken.

Voermans: „Ik ben van de school van Willem Witteveen. Die zei me een keer: er huizen twee zielen in mijn borst, aan de ene kant zou ik graag verhalend schrijven, aan de andere kant moet de stijl niet afleiden van de inhoud. Maar de twee zijn wel te verenigen, laat iemand als Geert Mak zien. De essentie weergeven kan veel beter aan de hand van een voorbeeld. Geerten kan dat ook voortreffelijk.”

Kon dat in uw eerdere boeken niet?

Voermans: „Nou, dat is de cultuur onder academici, we doen het niet. Verhalend schrijven is een risico.”

Waarom?

Voermans: „Ik ben een hoogleraar staatsrecht, wij schrijven steile, geleerde, soms suffe stukken. Grappenmakerij is niet serieus te nemen.”

Wat kunnen de consequenties zijn?

Voermans: „Reputatieschade. In mijn vak zullen ze misschien zeggen: je kunt wel merken dat hij wat ouder wordt, hij wil populair gaan doen. Met een jonge, smaakmakende opiniemaker-historicus samenwerken om aandacht te trekken. Dat valt niet vanzelf goed bij vakgenoten, daar heb ik natuurlijk de afgelopen vijftien jaar wel een reputatie opgebouwd. Die ligt met dit boek in de waagschaal.”

Waling: „Je bent een beetje de Nederlandse Steven Pinker [Canadees-Amerikaanse taalkundige en psycholoog die voor breed publiek schrijft], zo zie je er ook uit. In dit boek laat je de teugels lekker vieren.”

Voermans: „Ik zit zo lang in het vak, dit is mijn opdracht. Hiervoor ben ik besteld, om staatsrechtelijk onderzoek te doen en dat terug te brengen naar de samenleving.”

Universiteiten vinden het toch belangrijk dat wetenschappers aan ‘valorisatie’ doen?

Waling: „De universiteit vindt het schitterend dat wij dit doen.”

Voermans: „Ja, dat wel, maar er zitten voor Geerten ook grote nadelen aan. Dit soort wezenlijke Nederlandstalige werken helpen je wetenschappelijke carrière niet vooruit in de universiteit van 2018. Als postdoc moet je tegenwoordig internationaal publiceren, wil je tenminste een vlot verlopende wetenschappelijke carrière hebben.”

Waling: „Als je interdisciplinair werkt wordt het nog lastiger. Iedereen belijdt met de mond dat dat goed is, maar voor je carrière levert het niet veel op.”