Opinie

    • Gabriël van den Brink

Minder moralisme graag, en wat meer incasseringsvermogen

Als we al onze ergernissen ventileren, zoals velen online doen, is het eind zoek, betoogt . Het publiek debat ontaardt volgens hem in kampen die elkaar niet willen verstaan.

Illustratie Hajo

Het publieke debat in ons land dreigt aan moralisme ten onder te gaan. We slingeren elkaar met het grootste gemak allerlei verwijten in het gezicht. Wie woorden als ‘neger’ of ‘blanke’ gebruikt is meteen een racist. Wie pleit voor het opvangen van vluchtelingen staat direct als gutmensch te boek. Wie zich als zanger minder vleiend uitlaat over vrouwen is een seksist. En wie zich tegen het verwijderen van standbeelden of het veranderen van straatnamen keert, is een verwerpelijke nationalist. Waar komt deze neiging tot moraliseren vandaan? Welke effecten heeft het? En wat moet met je ermee?

Alvorens deze vragen te beantwoorden, wil ik een onderscheid maken tussen moralisme en moraliteit. Morele waarden en ook morele oordelen zijn in ons leven van het grootste belang – zowel op collectief als op individueel vlak. Als het goed is, hebben morele oordelen betrekking op een persoon die je zelf kent, waarbij je diens gedragingen serieus onderzoekt en je beseft dat er verschillende waarden in het geding kunnen zijn.

Moralisme is een heel andere zaak. Daarbij veroordeel ik personen of groepen die ik slechts vagelijk ken, stel ik mijn eigen waarden voorop en gebruik ik anderen vooral om te bewijzen dat ik zelf een beter mens ben. Kenmerkend voor het publieke debat in ons land is dat dit laatste steeds vaker gebeurt. Wat zou daarvan de achtergrond zijn?

Het ligt voor de hand dat ons massale gebruik van social media en andere digitale kanalen hierbij een rol speelt. Ze maken het niet alleen mogelijk om elk incident en conflict tussen mensen vast te leggen, maar ook om het te delen met vrienden, bekenden of zelfs totaal onbekenden en wel op een schaal die voorheen onmogelijk was. Het zo beschikbare publiek geniet van elke rel en is graag bereid een duit in het zakje te doen. Daarbij valt op dat men automatisch partij voor het slachtoffer kiest of in elk geval voor de partij die het best de indruk weet te wekken dat ze dat is. Het slachtoffer heeft immers altijd gelijk.

Lees ook de column van Tom-Jan Meeus: ‘Lekker alle slechte mensen aanwijzen’

Toch is dat maar een deel van het verhaal. Wat eveneens een rol speelt is dat onze morele gevoeligheid de afgelopen decennia langzaam maar zeker toenam. Zaken die een generatie geleden nog getolereerd werden, roepen nu brede verontwaardiging op. Denk aan mannen die zich aan vrouwen opdrongen, de negatieve bejegening van homoseksuelen en andere minderheden en meer algemeen een gebrek aan medeleven met personen of groepen die weinig macht hebben. Onze compassie met slachtoffers van misstanden ging ongemerkt omhoog – iets wat je in beginsel als een blijk van toegenomen beschaving kunt zien.

Het probleem is alleen dat de daarmee samenhangende morele gevoeligheid ook als een middel tot machtsuitoefening kan worden gebruikt. Dat gebeurt wanneer we bij het bekend worden van een incident of misstand onmiddellijk denken te weten wie er schuld draagt en waarom zijn (of haar) gedrag zo verwerpelijk is. Een nader onderzoek of afgewogen oordeel lijkt overbodig te zijn. Sterker: zo’n onderzoek wordt ernstig bemoeilijkt als de beschuldiging in het openbaar wordt geuit. Publiek moralisme krijgt bij voorbaat gelijk.

Ten slotte speelt er nog een omstandigheid mee, al is die moeilijker grijpbaar dan de twee andere. Kijken we naar onderwerpen waarbij de moralistische reflex erg sterk is, dan valt op dat ze meestal gerelateerd zijn aan lichamelijke kenmerken. Verschillen in sekse of seksuele voorkeur, het dragen van religieuze symbolen en kenmerken als huidskleur of etniciteit. Die vallen op omdat het contrast met de meerderheid van autochtone Nederlanders direct in het oog springt. Dat verschil wordt vaak als een vorm van onderdrukking gezien en roept – zeker gegeven de toegenomen gevoeligheid die ik eerder noemde – onmiddellijk morele verontwaardiging op. Wie het belang van zulke verschillen relativeert, laadt de verdenking op zich dat hij (of zij) het lot van de betrokken groepen onvoldoende ernstig neemt.

Een vrije en ook harde samenleving

Het samengaan van deze tendensen maakt dat het publieke debat ontaardt in een strijd tussen kampen die elkaar niet willen of kunnen verstaan. Het ene kamp acht zich bedreigd en eist meer respect of zelfs veiligheid op. Het andere kamp vreest dat de vrijheid van meningsuiting aangetast wordt en doet er graag een schep bovenop. Het resultaat van deze dynamiek is dat serieuze meningsvorming onmogelijk wordt. Dat vormt een gevaar voor onze democratie die op de vrijheid van spreken, schrijven, denken en verbeelden berust.

Gegeven deze situatie zijn twee dingen nodig. Waar inderdaad sprake is van discriminatie, seksuele intimidatie, bedreiging of machtsmisbruik dient de rechtsstaat zijn werk te doen. Dat betekent: gedegen onderzoek naar eventuele beschuldigingen en duidelijke straf als blijkt dat een persoon of organisatie in de fout gaat. Daarbij is een extra inspanning meer dan gepast want er komen in Nederland nog altijd veel misstanden voor, zoals blijkt uit het feit dat discriminatie op de arbeidsmarkt een hardnekkig fenomeen is.

Tegelijkertijd zouden deelnemers aan het publieke debat meer incasseringsvermogen moeten opbrengen. Het moderne Nederland is een vrije en ook harde samenleving. Er zijn dagelijks zaken die ons storen of ergeren maar als we dat allemaal gaan ventileren is het eind zoek. Incasseren betekent uiteraard niet dat we onze morele oordelen opgeven, wel dat we de verleiding van het moralisme weerstaan. Per slot van rekening blijkt de waarde van eigen oordelen pas wanneer je met de tegenpartij in gesprek gaat. Het zou Nederland sieren als meer burgers de moed hebben om dat te doen.

    • Gabriël van den Brink