Gletsjers in de Himalaya groeien door irrigatie in China

Geologie

Wereldwijd smelten de gletsjers, maar in de Himalaya groeien sommige juist. Door irrigatie in China zit meer vocht in de lucht, zijn er meer wolken en valt er meer sneeuw.

Gletsjer in het Kunlun-gebergte. Foto Shutterstock / tupianlingang

Door toegenomen landbouwirrigatie in het noordwesten van China smelten in een deel van het Aziatisch hooggebergte de gletsjers niet meer: ze blijven stabiel, of groeien zelfs iets.

Dat schrijven fysisch geografen van de Universiteit Utrecht in het tijdschrift Geophysical Research Letters. De irrigatie zorgt ’s zomers voor meer verdamping en vocht in de lucht. Dat leidt in sommige hooggebergtes tot meer zomerse sneeuwval.

Terwijl wereldwijd de meeste gletsjers aan het smelten zijn, door opwarming van de aarde, is dat sinds eind jaren 90 niet langer het geval in sommige delen van het Aziatisch hooggebergte. Er is veel aandacht voor het smelten van gletsjers in dit gebied omdat bijna 1,5 miljard mensen zijn aangewezen op de waterafvoer van rivieren zoals de Indus, de Ganges en de Gele Rivier – voor drinkwater, landbouwirrigatie en elektriciteit uit waterkracht.

De Amerikaanse geograaf Kenneth Hewitt beschreef in 2005 voor het eerst de onverwachte groei van gletsjers in de Karakoram, een bergketen op de grens van Pakistan, India en China. Hij sprak van de ‘Karakoram anomaly’. Sindsdien wordt gezocht naar verklaringen voor deze ‘anomalie’. Drie jaar geleden is de stabilisatie en groei van gletsjers ook beschreven voor delen van de Kunlun, een langgerekte bergketen ten noorden van de Karakoram.

Als mogelijke verklaring van het fenomeen noemden Britse aardwetenschappers vorig jaar in Nature Climate Change de westelijke straalstroom, een harde wind op 9 tot 10 kilometer hoogte die wolkenvorming en neerslag met zich meebrengt. In de zomer zou die straalstroom zich meer zijn gaan concentreren boven de Karakoram.

Maar de Utrechtse geografen zien op basis van weermodellen eerder een verband met toegenomen landbouwirrigatie, met name in de zomer. Hierdoor neemt de verdamping toe, komt er meer vocht in de lucht, vormen zich meer wolken en valt er meer sneeuw in de bergen. Het verband blijkt het sterkst tussen het woestijnachtige Tamirbekken (zo groot als Egypte) in het noordwesten van China, waar de irrigatie sterk is toegenomen, en het ten zuiden daarvan gelegen Kunlun-gebergte.

„In dit geval waait de heersende wind die vochtige lucht vanuit het Tamirbekken zuidwaarts richting Kunlun”, zegt Remco de Kok, eerste auteur van het artikel. Doordat zich meer wolken vormen wordt ook de inkomende zonnestraling meer weerkaatst, en warmt het onderliggende gebied minder op.

Dat de onderzoekers het effect niet in alle bestudeerde gebieden terugzagen waar de irrigatie is toegenomen, heeft volgens De Kok met die windrichting te maken. „Die staat niet altijd in de richting van een hooggebergte.”