De ‘zwembadpas’ in het Duits vertaald

Vertalershuis (deel 3)

Hoe kijken buitenlandse vertalers naar Nederlandse literatuur? De Duitse Rolf Erdolf viel als een blok voor een Nederlandse liefde, Reve en Couperus.

Het bureau van vertaler Rolf Erdorf. Foto Brigit Kooijman

‘Heb je het al gehoord?” vraagt Rolf Erdorf (61, Duits), wijzend op het glimmend-nieuwe glas in de deur van het kantoortje van Peter Bergsma (65), directeur van het Vertalershuis. Jazeker. Gisteravond bleek iemand per ongeluk de deur op slot te hebben gedaan terwijl Peters spullen nog binnen lagen. Toen hebben ze met zijn drieën – hij, Peter en Gregor Seferens (54) uit Bonn, vertaler van Harry Mulisch en Maarten ’t Hart – met een hamer de ruit van de deur ingeslagen. Een jongensavontuur.

Al voor het vijftiende jaar verblijft Rolf in Van Breestraat 19. „Vertalers hebben een eenzaam vak. Onze schutspatroon Hiëronymus was een kluizenaar. Tegelijk is het een creatief beroep, dus moet je zo nu en dan bijtanken. Mijn tijd in Amsterdam gebruik ik vooral om contacten te onderhouden en nieuwe mensen te ontmoeten. Vanmiddag ga ik naar een borrel van iemand uit het Theo-Thijssencircuit, daar kijk ik erg naar uit.”

Hij is een kind van de grens. Groeide op in Wallendorf in de Eifel, vlak bij Luxemburg. „Dat daar de koffie anders smaakte, intrigeerde mij.” Hij hield ook van de Nederlandse toeristen die elke zomer met duizenden zijn dorp binnenreden met hun caravans. Ze waren losser en vrijer dan de Duitsers, toen. In de frietzaak waar hij als student vakantiewerk deed („een echte Nederlandse frietzaak, met bamischijven”) ontmoette hij Toine uit Waalre, zijn eerste liefde. Hij ging Nederlands studeren als bijvak, later als hoofdvak. „Reve, Couperus, en ik was om.” Via omwegen is hij vertaler geworden.

Nu is dat minder, maar in de beginjaren kreeg hij in Nederland nog vaak dat „platte anti-Duitse gevoel” over zich heen. Hij paste zich aan tot in de kleinste details. „Op zeker moment vond ik zelfs hagelslag lekker.” In de jaren tachtig, toen hij soms maanden achtereen in het Amsterdamse kraakpand De Kleine Prins woonde, hoorde je niets verdachts meer aan zijn spraak. „Inmiddels weer wel, maar dat interesseert me niet. Je hebt ook Nederlanders met een regionaal accent. Ik word vaak voor Limburger of Twentenaar aangezien.”

Toen hij in 1985 begon met vertalen had hij geen idee hoe lang hij het zou volhouden, maar hij is het eigenlijk steeds leuker gaan vinden. „Vroeger was een vertaling voor mij een tekst die in het Duits omgezet moet worden, tegenwoordig is het een project. Ik doe veel onderzoek om het boek heen, dat maakt het interessant.” Zonder een wereldverbeteraar te willen lijken, geniet hij ook erg van zijn rol als ‘cultureel werker’. „Door Nederlandse literatuur te vertalen draag ik bij aan het begrip tussen twee volken die nog niet zo lang geleden in oorlog waren. Mijn vader was soldaat, ik mag een zanger zijn.”

    • Brigit Kooijman