Recensie

Jean Brusselmans vond zijn hart in het Pajottenland

Tentoonstelling

Op een overzicht in het Gemeentemuseum is te zien hoe geweldig Jean Brusselmans (1884-1954) schilderde. De landschappen van ‘zijn’ Pajottenland, zijn vrouw, luchten. Niet alles is goed, maar dat wist hij zelf ook.

Jean Brusselmans, Paysage brabançon, par temps ensoleillé (1940, olieverf op doek, 98 x 103 cm). Groeningemuseum, Brugge

Het is een land dat zich dik maakt zonder dik te zijn. De heuvels - niet meer dan vijftig, zestig meter hoog – heten er bergen, en luisteren naar snoepnamen als Suikerenberg, Tuitenberg, maar ook IJsberg, Snikberg en – het omgekeerde van wat de heuvel is – de Putberg. In de zomer groeien op de engtes maïs, aardbeien, uien. Op de flanken van de heuvels liggen vlokjes bossen, waar het onhandige gekukel van fazanten klinkt en schuwe reeën zich verschuilen.

Vanuit Brussel gaat het via de kaarsrechte N8 een dikke dertig kilometer westelijk strak naar Ninove. Strak, omdat het land zo makkelijk te doorklieven is, ondanks die heuvels die bergen heten. Maar stap je van de grote weg af, laat je de typisch Vlaams lelijke prefab-loodsen en kantoren links liggen, dan ontvouwt zich een land dat verloren lijkt in de tijd, met oude tramsporen, verwaarloosde kapelletjes en brokkelige boerenerven die er nog precies zo uit zien als een halve eeuw geleden. In dit land is – afhankelijk van je standpunt – het uitspansel met de wolken dramatisch en traag bewegend. Maar kijk je van de ene heuvelrug op de andere, dan ontvouwt zich een gestapelde poppenwereld: met stukjes akker, de rood bakstenen huizen daarbovenop, de elzen, populieren en windmolens op pootjes daar weer boven.

La Moisson(1934, 150 x 150 cm). Musée des Beaux-Arts de Liège

Dit land heet Pajottenland. Het is geen officieel land, maar een streek ten westen van Brussel. In Dilbeek vlak bij de Snikberg, vestigde zich in 1924 de schilder Jean Brusselmans. Hier wortelde hij zich en werkte hij tot aan zijn dood in 1953. Hier maakte hij, in bittere armoede en in afzondering van wél succesvolle Vlaamse collega’s als Permeke, De Smet en Rik Wouters, zijn beste schilderijen. Veel van zijn werk gaat over het Pajottenland, waar de hemel soms gevuld lijkt met aarde, en omgekeerd de aarde alleen maar uit hemel bestaat.

Hoera! Een Brusselmans

Brusselmans, geboren in 1884, is in de grote stroom van de kunstgeschiedenis altijd een buitenbeentje gebleven. Zijn werk bleef lang onverkocht en Brusselmans relatief onbekend, net als de streek waarin hij woonde. In het Pajottenland vond hij zoveel van zijn inspiratie en ontwikkelde hij zijn eigen stijl. Er was een Kortrijkse textielbaron, Tony Herbert, die werk van hem aankocht. En een paar Belgische musea kochten, pas laat.

Nature morte au cruchon rouge (1933, 110 x 126 cm). Privécollectie

Brusselmans was en is een kunstenaar voor (sommige) kunstenaars. Jan Dibbets is een knarsetandend liefhebber - knarsetandend omdat sommige van Brusselmans’ werken faliekant mislukt zijn. Rudi Fuchs is een liefhebber. Af en toe zag ik hem in Belgische musea op zaal: onomstotelijk, daar, die monumentale stilte op doek, hoera!, een Brusselmans.

Nu is er eindelijk de kans voor het Nederlandse publiek om uitgebreid kennis te maken met zijn werk. Want zaterdag 17 februari is een overzicht geopend in het Haags Gemeentemuseum, waar zo’n veertig schilderijen (helaas geen tekeningen) zijn samengebracht. De schilderijen zijn min of meer chronologisch gerangschikt en zijn afkomstig uit wat Brusselmans’ beste periode heet: de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, met nog een paar uitschieters in de jaren veertig. Zijn thematiek is die van het landschap – molens, winterlandschappen, akkerlanden, dorpsgezichten, interieurs, zeegezichten in Oostende, zijn geliefde vrouw die in 1943 sterft. Deze motieven worden soms wel tien keer hernomen. Dat is niet saai. Dat is een zegen.

Want zo kun je je onderdompelen in de manier waarop Brusselmans wikt en weegt, soms zijn penseel en paletmes kwijtraakt, met het zweet op zijn voorhoofd, zijn tanden op elkaar en met zijn klompen stampend, voort ploetert. Er ontstaan doeken die klaroenstoten zijn van vlakke vormen, verfbeweging en pure kleur (want anders krijg je maar ‘modder’, zei Brusselmans). De emotionaliteit van het expressionisme, waar zijn collega’s zoveel succes mee hebben, en de behaagzucht van het impressionisme zijn hem een doorn in het oog. Hij kijkt naar de stillevens en landschappen van Cézanne en naar de knipselwerken van Matisse.

Stijve harmonie

Elke vorm bij Brusselmans – of het nu een wolk betreft, een appelboom, een vuurtoren of een lichaam - wordt consequent en op het kinderlijke af vereenvoudigd. Soms – zoals in de slechte Oogst uit 1934 – voert hij die vereenvoudiging zo ver door dat het lijkt alsof de kunstenaar zijn motieven met een bot schaartje heeft uitgeknipt en over het doek gestrooid. Op andere zie je juist hoe geconcentreerd hij werkt om de compositie te laten slagen.

Paysage d’hiver au moulin (Winterlandschap met molen), (1939, olieverf op doek, 102 x 110 cm). Privécollectie

Dat is het geval in De Luizenmolen uit 1937 en – een topwerk – Winterlandschap met molen uit 1939. In dit Winterlandschap staan wilgenstammen, dak, gras, molen en de geometrische vormen van het akkerland in een stijve, maar harmonieuze schaakopstelling. Het schilderij is op geen enkele manier behaagziek. Er is geen dynamiek tussen de vormen. Geen emotionele uithalen in de verf. Alles zit stokstijf op zijn plaats: alsof de kunstenaar de stille bevrorenheid van de winter letterlijk heeft gevangen in een kooitje op zijn atelier en na eindeloze bestudering tot schilderen is overgegaan.

In De Storm (1936), een ander groots werk, is een regenbui op zee veranderd in een piramidevormig, okergeel douchegordijn dat uit een geblakerde wolk als het ware naar beneden wordt gegooid. De anekdotische storm en de paar bootjes gevaarlijk wiebelend op zee doen er voor Brusselmans niet toe. Ze zijn alleen maar aanleiding om te experimenteren. En experimenteren doet hij.

Le Phare d’Ostende (1936, 84 x 100 cm). Stedelijk Museum Amsterdam

Brusselmans bewerkt zijn doeken op zoveel manieren met verf – droog, fijn, pasteus, schrapend, nooit druipend – dat het is alsof je een topografische landkaart leest met hoogtelijnen en D-weggetjes. De zwart-wit geblokte japon van zijn vrouw is overduidelijk alleen aanleiding om een bijna oneindige keur aan verfstructuren op het linnen te krijgen. „Naïef schilderen, puur, compact, naturel zijn”, noemt Brusselmans dat. „De compositie moet uit één stuk uit de kunstenaar komen, en uit hem alleen.”

Het mooie en aangrijpende van het werk van Brusselmans is dat je hem ziet worstelen om dit ideaal te bereiken. Het ‘ene stuk’ dat hij toch zo graag wil vangen in verf. En de onvolkomenheid daarvan. Brusselmans besefte dat. Dit is wat hij kan, zegt hij. En wij voegen daaraan toe: het is en het was goed.

Dame au canapé (1937, 150 x 150 cm). Stedelijk Museum Amsterdam