Column

‘Bewaarders’ is ode aan de behulpzame cipier

Zap De documentaire ‘Bewaarders’ toont dat ook een moderne gevangenis, waar de gedetineerde veel zelf moet doen, drijft op de bewakers.

2Doc: Bewaarders gaat over een moderne gevangenis in Zaandam. VPRO

De man is niet tevreden over zijn kamer. De telefoon is stuk én de tv doet het niet. Dat geloof je toch niet? Waarom laten jullie ons hierin als het nog niet klaar is? En wanneer komt het eten? Die twee sneetjes brood? Hoe zit het dan met beleg? Hij wil geen thee zetten. „Ik ben een koffiedrinker.” De boze man wordt rustig te woord gestaan. „Als daar nog maar twee sneetjes in zitten betekent het dat je de rest al op hebt.” Dan heeft de cipier er genoeg van. Hij doet de deur dicht.

De documentaire Bewaarders (NPO 2) van Marc Schmidt was aangekondigd als een film over de grote innovatieve gevangenis in Zaandam, die anderhalf jaar geleden werd geopend. „Een hypermoderne stad met een muur eromheen”, is het volgens de introductie.

De vernieuwing bestaat erin dat gevangenen zo veel mogelijk zelf moeten doen in een grotendeels computergestuurde omgeving. Dingen bestellen, bezoek regelen en boodschappen doen met een pasje, zelfstandig door het gebouw lopen – hoe ‘normaler’ hun verblijf ‘binnen’ is, hoe beter ze zich vervolgens ‘buiten’ kunnen redden is de gedachte. Een kolossale hoeveelheid camera’s houdt in de gaten of het werkt. Budgettair voordeel: je kunt met minder bewakers toe.

Maar de boeven blijven hetzelfde. Dat zijn nog steeds jongens en mannen die in het eerste gesprek zeggen dat ze king of the world zijn, buiten en binnen. Die roepen: „Ik haal honderd Turken om je te vermoorden!” Die in hun cel alles kort en klein slaan uit woede over het lawaai van een stofzuiger verderop. Nee, niet alles: een leeg colaflesje met drie rozen erin heeft de vernielzucht overleefd.

Velen balanceren op de rand van overspannenheid. Een gedetineerde ratelt als een improviserende dichter tegen een hulpverleenster en besluit dan, ineens kalm: „Ik vind het een hele rare, moeilijke wereld.”

Bewaarders, waarin de gevangenen met elegante stippen en strepen onherkenbaar zijn gemaakt, is een ode aan het stille heldendom van de bewakers. Aan de mensen die de scheldpartijen in ontvangst moeten nemen („dan krijg je de boef over je heen”), die de celdeur in het gezicht van de gevangene moeten dichtslaan – en die deur ook later weer open moeten doen. We zien cipiers in alle types: bullebakkerig, nerveus, empathisch, joviaal en behulpzaam.

Zeker de behulpzamen hebben veel werk, want het gepiel met pasjes, scans en apparaten gaat veel gevangenen boven de pet, de ‘niet-kunners’ worden ze genoemd. En dus schieten de cipiers te hulp met het bellen van moeders, het opendraaien van een ventilatierooster in een stinkende cel, het regelen van een te laat aangemeld bezoek. Soms is datgene wat de gevangenen het allerhardst nodig hebben, heel eenvoudig, een medemens.

Daarbij maakt de organisatie van de Penitentiaire Inrichting Zaanstad een wat starre indruk. Het ene moment kan er geen meter van de afgesproken ‘looplijn’ door het gebouw worden afgeweken, en het andere moment hoort een gedetineerde die meende met verlof te kunnen naar een zorgboerderij bij de poort dat het besluit is teruggedraaid. „Zo krijg je iemand wel gek”, verzucht een bewaarder moedeloos.

De mooiste bewaker is een al wat oudere man die de gevangenen benadert met geduld en hartelijke spot, ongetwijfeld al tientallen jaren lang. De meeste boeven kent hij nu wel. Als een jonge ex-verslaafde aan het eind van de documentaire zijn straf heeft uitgezeten, geeft hij hem een onhandige, ontroerende halfknuffel: “Kom je nooit meer terug?”