Column

Volwassen

Marcel

Mijn dochter (2) is idolaat van Nijntje, het door Dick Bruna gecreëerde konijn. Bijna iedere dag hoor ik de verdraaide stemmetjes van Barry Atsma en Isa Hoes omdat Nijntje de film weer eens aanstaat. Door de andere gezinsleden word ik, ook in het openbaar, inmiddels aangesproken met ‘Pluis’, omdat de vader van Nijntje zo heet.

Zaterdag reden we naar het Nijntje Museum in Utrecht. Onderweg hadden we het over Nijntje en haar hond Snuffie, een onderwerp waarover we voor de verandering wel op één lijn zitten.

Het Nijntje Museum was al van ver te herkennen aan een enorme Nijntje op de stoep. De dochter holde eropaf, een moment dat je als ouders denkt: hier doorstaan we het dus allemaal voor.

Omhelzing tussen kind en pop.

Het gebouw in. Meteen die weeïge geur van veel kinderen.

Een man in een T-shirt met een door Dick Bruna getekende stropdas hield ons staande, de dochter glipte alvast naar binnen. Hij zei dat het museum vol was, dat we op het internet kaartjes hadden moeten kopen en dat we er vanwege de brandveiligheid zo snel mogelijk weer uit moesten. We mochten de dochter, die we vol overgave op een muur vol Nijntjes zagen slaan, niet zelf pakken. De mensen die we kenden omdat ze hun auto achter de onze hadden geparkeerd sleepten haar voor ons naar buiten.

„Dit is nou teleurstelling”, legde ik haar uit.

Terwijl vriendin en kinderen afwachtten in een café, voegde ik me in het Centraal Museum aan de overkant van de straat bij de andere teleurgestelde ouders/begeleiders, die net als ik wachtten op de uitslag van ‘de telling’. (Eens per uur tellen veiligheidsmensen van het Nijntje Museum het aantal aanwezigen, waarna ze besluiten of er toch nog toegangskaartjes in de verkoop gaan.)

Ik bladerde door een boek met het werk van Pyke Koch. Een medewerker zei dat je niet naar binnen hoefde als je dat boek uit had. Die theorie volgend zou ik kunnen volstaan met de aanschaf van het boekje Nijntje in het museum.

De medewerker: „Hahaha.”

Van dat gelach werd wat gezegd door een boze vader die al eerder was opgevallen omdat hij maar bleef benadrukken dat hij 120 kilometer voor Jan Lul met zijn zoontje in de auto had gezeten.

Een andere museummedewerkster riep „alle Nijntje-ouders” bij elkaar. We zagen het al aan haar gezicht: het feest ging niet door. Ze handelde volgens protocol: slecht nieuws al in de eerste zin brengen, daarna uitleg en als dat niet helpt een horrorscenario schetsen. „U kunt vandaag niet naar binnen. Het is te gevaarlijk want te druk. U wilt toch ook niet dat uw kind bij brand bekneld raakt bij Nijntje Pluis?”

Die boze vader: „Nou en?”

Ik keek hem aan en voelde me voor het eerst die dag volwassen, een fijn gevoel.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.