Opinie

    • Marjoleine de Vos

Stilte, ruimte, duisternis

‘Dit is zo’n moment,” zei ik, „zo’n ochtend waarop alles is zoals het is en waar je later naar terug verlangt.” Licht, ruimte, stilte. „Zéér morgenlijk, zilverfris” (Ida Gerhardt). Ik liep met een vriendin langs de waddendijk; aan de wadkant lag ijs in richels en bulten, en wit gruis van opspattend water dat tot kruimels was gevroren. De zon glinsterde erop en maakte het allemaal van zilver, de lucht was stil en hoog, er was geen mens, al was de menselijke aanwezigheid duidelijk genoeg, zo’n dijklichaam is daar niet vanzelf komen te liggen.

Ik houd daarvan, als cultuurlandschap op natuur botst, de zee bij de kwelder, de landbouwterrassen op een heuvel die overgaan in ruwe begroeiing, de wei met een houtschuur in de bergen, een wit kerkje op een ruw en rotsig eiland. Alsof het één het ander in perspectief zet.

In het weiland aan de andere kant van de dijk liep een groepje kramsvogels te rommelen, eerste kievieten (nee! niet nú al!) scharrelden er rond, soms riep een meeuw.

Wat dat toch is, dat buiten zijn, rustig lopen, vergeten dat je loopt, dat je bestaat, opgaan in het grotere, dat dat zo gelukkigstemmend is. Dan ben je niet weemoedig, niet zorgelijk, niet verveeld maar als vanzelf vervuld. Op Schiermonnikoog is een dijkje met aan de ene kant een vogelplas, aan de andere kant weiland, waar ik vaak aan denk als ik mezelf wil laten voelen dat het leven sterk is en goed. Je kijkt er ver uit en je hoort het roepen van talloze vogels, waarbij vooral de wulpen met hun ronde geluid door het lichtere gepieper van de strandlopertjes en het krijsen van de meeuwen heen, zo’n enorm rustig gevoel geven, het eenvoudige gevoel te bestaan. Net als alles om je heen. Er is overal bestaan.

‘Waarom beschouwen wij het huis van de natuur niet als ons eerste huis?’ stond boven de aankondiging van een boek van NRC-collega Kester Freriks dat binnenkort verschijnt en dat Stilte, ruimte, duisternis gaat heten. Ja, waarom niet? Het ligt nogal voor de hand om dat wel te doen. Maar het ligt blijkbaar ook nogal voor de hand om dat níet te doen en dat beetje ruimte, dat beetje stilte dat nog in Nederland te vinden is, weg te blazen, in te nemen, vol te bouwen.

Je kunt de mensen niet dwingen van de natuur te houden. Maar soms lijkt het zo vreemd, dat iedereen verre buitenlandse reizen maakt om daar ruimte, stilte, duisternis te ondergaan, terwijl de bedrijventerreinen hier nog steeds maar verder groeien, de wegen breder worden, de lichtvervuiling toeneemt. De grutto sterft uit. Sowieso horen we steeds minder vogels. De insectenpopulatie neemt af. Vreemde angstaanjagende dingen zijn het. „Het schoon van Holland; welhaast doodgesnoeid;/ de vogel zwijgt, de rank is uitgebloeid.” (Oók Gerhardt)

Loop je buiten dan zie je bovendien steeds meer hoe het platteland één groot industriegebied is, niet omdat er allemaal fabrieksgebouwen staan, maar omdat boerderijen industriële bedrijven zijn geworden. Grote saaie velden waar geen sprietje onkruid groeit en waar geen vogel een ei in kan leggen, langs de slootkanten bloeit niets, geen leeuwerik stijgt ooit meer zingend op. Wat je hoort zijn de wegen, de enorme landbouwmachines, steeds meer vliegtuigen.

We praten over mestschandalen, varkensoverschot, melkprijzen, over ‘kansen’ als weer een stuk platteland vol met centrales komt te staan, maar niet over geel riet langs blauw ijs, niet over de stilte van vogelgeluiden, de overweldigende sterrenhemel in een donkere nacht. Niet over wat echt gelukkig maakt: opgaan in ruimte, stilte, bestaan. „Kùs het geluk, dat u is toevertrouwd!”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos