Oproer in Jerada, spookstadje van de mijndoden

Sociale onrust in Marokko

De levensgevaarlijke mijnen staan symbool voor plekken waar de bevolking in opstand komt. „Politie? Nul! Burgemeester? Nul! Regering? Nul!”

De moeder van Abderrahmane Zakaria, Souhil Najat,met foto van haar zoon die verongelukte in een illegale koolmijn in Jerada. Foto Youssef Boudlal/Reuters

Souhil Najat (54) wist dat het noodlot ineens kon toeslaan. Elke ochtend voordat haar zonen naar de mijnen vertrokken, ging ze in gebed in de hoop dat haar gezin ’s avonds weer compleet zou zijn. Ook op 1 februari. Maar dit keer ging het mis. Abderrahmane (34) werd in een door hemzelf gegraven gat in de grond bedolven onder een hoop stenen. Zijn jongere broer Abdellah (24) kon een tragische dood niet voorkomen. „In Jerada vrezen moeders altijd voor hun kinderen”, zegt Najat omringd door echtgenoot, vijf zonen en twee dochters. „We leven hier van dag tot dag.”

Het is koud in het huis van de familie Zakaria. Het bezoek wordt hartelijk ontvangen met een warme deken, dadels en melk. Vader Mohammed Zakaria (65) zit er verslagen bij. Bijna twintig jaar was hij als het trotse hoofd van de familie werkzaam geweest bij Charbonnage du Maroc. Het werk in de kolenmijnen van Jerada was zwaar, maar er stond een redelijk inkomen tegenover. Bovendien kon Mohammed Zakaria een eigen huis kopen. Maar toen de mijnen in 2001 definitief sloten, verdween de bodem onder zijn bestaan. Met een pensioen van 160 euro in de maand kan hij zijn gezin amper onderhouden. Het stadje lijkt verdoemd. De illegale mijnbouw heeft nu zelfs het leven van één van zijn zonen geëist.

De ouders van Abderrahmane Zakaria. Foto Youssef Boudlal/Reuters

De situatie in Jerada staat symbool voor diverse plekken waar de bevolking in opstand komt tegen sociaal onrecht. Zoals bij de aanhoudende protesten in het Rifgebied, de roep om water in het zuidelijke Zagora en de tragedie in Sidi Boualam waar vorig jaar bij het uitdelen van voedsel vijftien vrouwen om het leven kwamen. De arme bevolking keert zich steeds vaker tegen de overheid. Precies zeven jaar na het begin van de Arabische Lente is Jerada op 20 februari 2018 het centrum van de onrust. De politie probeert tevergeefs met de inzet van ordetroepen demonstraties tegen te gaan. De mijnwerkers zijn hun angst voorbij.

Mohammed Zakaria staat niet alleen in zijn verdriet. Eind december kwamen de broers Houcine en Jedouane Dioui om het leven. Ze werden verrast door een ondergrondse stroming en verdronken in de mijnen. Hun dood was het begin van de protesten in Jerada. Hier in het noord-oosten van Marokko, niet ver van de hermetisch gesloten grens met Algerije, stromen de straten sindsdien iedere dag vol met radeloze bewoners. „We vragen om simpele dingen. Zoals een lagere rekening voor water en stroom. En zicht op werk in de toekomst”, zegt Aziz Boudchich, die zijn baan als vertaler van Arabisch naar het Engels heeft opgegeven om de protestbeweging te ondersteunen.

Dagelijks verzamelen de verschillende wijken zich op vaste plekken om in een lang lint door Jerada naar het huis van de burgemeester te lopen. Vrouwen en mannen lopen gescheiden van elkaar. Maar ze zijn één in de afwijzing van alles wat met de overheid te maken heeft. „Politie? Nul! Burgemeester? Nul! Regering? Nul!”, scandeert een menigte, die bij het postkantoor van Hassi Bellal de vreedzame mars heeft ingezet. Ze lopen langs de lokale begraafplaats waar tientallen slachtoffers van de mijnen liggen. Het graf van Abderrahmane Zakaria is nog vers.

Een protest tegen het gebrek aan banen en de armoede in Jerada, op 3 februari 2018.
Foto Youssef Boudlal/Reuters
Een protest tegen het gebrek aan banen en de armoede in Jerada, op 3 februari 2018.
Foto Youssef Boudlal/Reuters
Een protest tegen het gebrek aan banen en de armoede in Jerada, op 3 februari 2018.
Foto Youssef Boudlal/Reuters
Een protest tegen het gebrek aan banen en de armoede in Jerada.
Foto’s Youssef Boudlal

Spookstadje

De wanhoop is groot onder de ruim veertigduizend inwoners van Jerada. De situatie in het spookstadje is vrijwel uitzichtloos. Eén ding lijkt zeker: het wordt nooit meer zo als het ooit was. Deze plek was decennia lang één van de motoren van de Marokkaanse economie. Volgens het boek Coal Geology van Larry D. Thomas ontstonden de eerste activiteiten in 1927. Het waren geologen van de Belgische Société Anonyme d’Ougrée-Marihaye geweest die op zestig kilometer onder de stad Oujda de rijkdom aan kolen ontdekten. In 1934 gingen de mijnen open.

Het gebied viel destijds onder het protectoraat van Frankrijk. Arbeidsomstandigheden in de mijnen waren zwaar. „Jerada was een van de eerste koloniale industrieën in Marokko”, stelt de Marokkaanse historicus Maati Monjib. „De mijnen hebben een belangrijke betekenis in de geschiedenis van het land omdat hier de eerste, door communisten gestuurde, vakbonden ontstonden in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw. Het is aan de activist en mijnwerker Taib Benbouazza uit Jerada te danken dat in 1955 de Marokkaanse Arbeidersbeweging (UMT) is opgericht.”

In Jerada vrezen moeders altijd voor hun kinderen.

Souhil Najat

De mijnen gaan na de onafhankelijkheid van het Noord-Afrikaanse land in 1956 verder onder de naam Charbonnage du Maroc en zorgen voor een enorme aantrekkingskracht op arbeiders. Zo ook op Mohammed Zakaria, die het zuidelijke Marrakesh verruilde voor het noordelijke Jerada. Hij behoorde tot de duizenden mijnwerkers, die met gevaar voor hun gezondheid, kolen naar bovenhaalden. Mohammed Zakaria heeft de voorbije jaren tal van collega’s aan longziektes zien sterven. En hij kampt zelf ook met ademhalingsproblemen. „Toch heb ik het vele malen beter gehad dan mijn kinderen het nu hebben”, stelt hij. „Er was geld. De mijnbouw was goed georganiseerd.”

Het jaar 1998 is voor vele bewoners van Jerada een dieptepunt. Dan wordt bekend dat de mijnen niet langer rendabel meer zijn. Drie jaar later zijn ze gesloten. De regering trok miljoenen euro’s uit om de mijnwerkers te compenseren, maar verzuimde volgens historicus Monjib met een structurele, economische oplossing te komen. Een deel van de bewoners vertrok noodgedwongen naar andere plaatsen, anderen zoals de familie Zakaria zijn met handen en voeten gebonden aan Jerada. „We hebben geen geld. Al zouden we willen, we kunnen nergens heen”, zegt Abdellah Zakaria.

Illegale mijnen

Na de dood van zijn broer is Abdellah even gestopt met werken. Maar zijn toekomst ligt in de illegale mijnen. Op korte termijn daalt hij met zijn andere broers af in tientallen meters diepe gaten, op zoek naar kool. Een zak vol levert zo’n 6 tot 8 euro op bij handelaren, die de grondstof doorgaans voor het tienvoudige doorverkopen. „Ik was met Abderrahmane net op een nieuwe plek begonnen. Daar zaten honderden kilo’s in de grond. De omstandigheden waren erg zwaar, het was heel nat. Daardoor leveren de kolen wel meer op. Toen Abderrahmane via een ander gat naar binnen wilde gaan ging het mis.”

De dood van Abderrahmane was vrijwel meteen nationaal nieuws. De overheid drong er bij de familie op aan zijn lichaam in stilte in de nacht te begraven om nieuwe protestmarsen te voorkomen. Abdellah: „Dat hebben we geweigerd. We hebben de hele nacht in de sneeuw en de kou gewaakt bij zijn lichaam. Tot we toestemming kregen overdag afscheid van hem te nemen.”

Kinderen voetballen in een voormalige koolmijn in Jerada, waar ouderen protesteren tegen de slechte sociale omstandigheden. Foto Youssef Boudlal/Reuters

Zijn overlijden zorgde wel voor een nieuwe impuls bij de protestbeweging van Jerada. Het mijnwerkersstadje kreeg tot onvrede van de nationale overheid steeds meer internationale aandacht. Dit is niet het beeld dat Marokko wil uitstralen. Het land presenteert zich graag als een modern moslimland, zet fors in op toerisme en is zelfs kandidaat-gastheer van het WK voetbal van 2026. De wegen naar Jerada worden de laatste dagen steeds strenger gecontroleerd om buitenstaanders op afstand te houden. Ook in het stadje zelf is intussen een grote politiemacht aanwezig.

Premier Saadeddine Othmani kon met een bezoek aan het gebied de onvrede niet wegnemen. Hoewel verschillende organisaties en politieke partijen de afgelopen dagen een overeenkomst met de overheid sloten, willen vele burgers van Jerada van geen wijken weten. Activist Aziz Boudchich loopt steevast met een foto van Elbachir Elkehal over straat. Een mijnwerker die zichzelf twee jaar geleden in brand stak toen hij zijn huis werd uitgezet. „Hij is één van de vele martelaren van Jerada. We zullen doorgaan tot al onze eisen echt worden ingewilligd. Onze strijd is anders dan die van de Riffijnen. Daar is het meer politiek gekleurd. We lopen hier met Marokkaanse vlaggen. We houden van ons land. De overheid mag de bewoners van een stadje dat het land zo veel heeft gegeven toch niet aan hun lot overlaten?”

Lees ook over protesten in het Rifgebied: Leider protest in Marokko is politie net te vlug af