Column

De rechtspraak begint de moed te verliezen

Onlangs liep ik een paar dagen mee op een grote rechtbank – ik zag een volle werkweek aan zittingen in het jeugd- en familierecht, met daarop enige tientallen zaken, die binnen een bestek van 5 minuten tot een half uur werden behandeld. Denk aan felbevochten omgangsregelingen, de verslaafde dakloze jonge zwakbegaafde moeder, het disfunctionele gezin met gedetineerde vader die telefonisch de kinderen cadeaus belooft, etc. Deze rechters bleken op zitting virtuoos in signalen oppikken, zinnen aanvullen, mensen taxeren en prompt beslissen. En dus ook in tempo maken. Dank u, dit was het, u mag weer gaan. Bode, wie hebben we voor de volgende zaak?

En o, wat kwamen er toch veel ‘oude zaken’ voorbij. Diefstallen van meer dan een jaar geleden, uithuisplaatsingen waar al tijden geen beweging in zat, schoolverzuim van twee jaar terug – de grootste zorg van deze familie- en jeugdrechters was het continue ‘achter de feiten aanlopen’. Iedere dag werd de eindstreep weer gehaald, meestal met een half uur of een uur uitloop. Eenmaal buiten bewonder je dan het engagement van de rechters, de soepel lopende band met zaken, de juridische snelkookpan die beslissingen produceert. En je vraagt je af hoe een mens in toga de vrijdag haalt na een week met veertig gezinsdrama’s. En wat nam ik hier eigenlijk zelf waar: de besliscentrale voor het gemankeerde gezinsleven? De arme kant van rechtsstaat Nederland?

Vorige week hield de Eerste Kamer een hoorzitting over de ‘staat van de rechtsstaat’ met deskundigen: vooral rechters, een advocaat en twee wetenschappers. Maarten Feteris, president van de Hoge Raad, riep het panel op om niet „te tobberig” te zijn.

Maar dat gebeurde toch, en terecht. Alle sprekers vonden dat de rechtspraak „onder druk” stond, dan wel dat „de rek eruit was”. En dat de zwakkeren in de samenleving steeds minder vanzelfsprekend toegang tot het recht hebben. Nu hoorde ik dat de laatste jaren vaker. Maar het is toch anders als rechters dat zelf rechtstreeks aan politici vertellen, in hun eigen vergaderzaal. Namelijk dat de rechtspraak vast zit, financieel, organisatorisch en ook moedeloos begint te worden. Omdat de toegang tot het recht een illusie aan het worden is, door te hoge griffierechten, te complexe procedures en verdampende sociale rechtshulp. Feteris zei zelfs dat als de zwakkeren niet goed verdedigd worden, het „gevaar bestaat dat zij vervreemd raken van onze rechtsstaat en zich daartegen zelfs gaan verzetten”. Namens de Raad voor de Rechtspraak vertelde Kees Sterk de senaat dat procederen in Nederland te lang duurt, de kwaliteit ervan dreigt terug te lopen en de onafhankelijkheid gevaar loopt. Vooral omdat de rechtspraak als buitendienst van Justitie wordt gerund. De minister maakt de facto uit hoe lang een zitting mag duren. Het gevolg is dat rechters en stafmedewerkers helemaal worden vol gepland met zittingen, waardoor de flexibiliteit nul is en reflectie en kennisontwikkeling iets voor de vrije tijd zijn geworden.

Pogingen van rechters om via ‘professionele standaarden’ weer greep op hun werk te krijgen, zijn aan het mislukken. Strafrechters spraken in 2016 af dat ze per dag niet meer dan zes uur in de zittingszaal willen zijn. De rest van de tijd is voor onderlinge beraadslaging. Baas over eigen zaak worden, was het plan. Dus niet meer bij uitstel een zaak overdoen aan een compleet nieuwe strafkamer, zoals nu, die opnieuw met inlezen begint.

Maar wat blijkt: het kost te veel, het tast de productie aan en het leidt tot ‘negatieve begrotingen’. Twee grote operaties onder de vorige twee kabinetten Rutte hebben niet gebracht wat beloofd is. De vermindering van het aantal rechtbanken in 2013 van 19 naar 11 en het aantal hoven van 5 naar 4 heeft nauwelijks voor meer specialisatie, efficiëntie of flexibiliteit gezorgd.

Het digitaal procederen dat vanaf 2012 alles eenvoudiger en sneller moest maken dreigt zelfs te mislukken – het is vele malen duurder dan ooit gedacht, de invoering is moeizaam en het personeel is het vertrouwen erin eigenlijk verloren. De rechtspraak kan het niet meer zelf betalen – het bleek complexer dan gedacht. Men heeft zich eraan vertild, men was te optimistisch. De rechtspraak zit zwaar in de problemen – ik wil het maar gezegd hebben.

Folkert Jensma is juridisch commentator. Facebook: nrcrecht