Brieven

Brieven

Het artikel Leve het grote ziekenhuis (O&D, 10/2) gaat aan enkele belangrijke punten voorbij. De voorbeelden zijn universitaire centra. Hun rol is anders dan van algemene ziekenhuizen. De optimale omvang van ziekenhuizen in doelmatigheidsonderzoek is ergens tussen de 250 en 400 bedden. Zeker de helft van de Nederlandse ziekenhuizen is nu al groter. Burgers, maar vaak ook hulpverleners in de eerste lijn, huisartsen voorop, willen wat anders. In vele gesprekken komt het ziekenhuis om de hoek als uiterst waardevol naar voren. Wijzigingen in voorzieningenniveau, fusie of zelfs sluiting roepen emoties en weerstand op. Recent nog bij de discussie over de toekomst van het Rotterdamse Havenziekenhuis.

De eerstelijnszorg lost rond 93 procent van de gepresenteerde klachten op. De rest wordt grotendeels poliklinisch of in dagbehandeling behandeld. Alleen voor wat diagnostiek, operatieve en andere behandelingen die bijzondere voorzieningen verlangen, is het ziekenhuis nodig. Het is meer een interventiecentrum, een expertisecentrum, waar de benodigde deskundigheid – meestal kortdurend – wordt ingezet. Het ziekenhuis is slechts een schakeltje in de gezondheidszorgketen. De patiënt wil graag kleinschaligheid, geborgenheid, vaste en bekende hulpverleners, geen ‘fabrieksomgeving’. Hierbij passen samenwerkingsexperimenten met lokale en regionale zorg- en financiële arrangementen. Het Nederlandse project ‘Proeftuinen’ laat een aantal variaties op dit thema zien. Dus: geen grotere ziekenhuizen, maar het netwerk centraal.


Toezichthouder, voormalig ziekenhuisbestuurder