Biechtte Zijlstra nu al eerder bij NRC of niet?

Dat zinkende, misselijke gevoel. Iedere journalist die een scoop heeft gemist, kent het. Zag ik iets over het hoofd? Waarom is dat me toen niet opgevallen? Welk puzzelstukje ontbrak er nog? Wás er wel een puzzel?

Miste NRC de primeur over Halbe Zijlstra’s verzonnen verhaal over een bijeenkomst van 2006 met Poetin? Tegenover de Volkskrant gaf Zijlstra maandag toe dat hij daar niet bij was geweest, maar het verhaal jaren later van de wel aanwezige Shell-topman Jeroen van der Veer had gehoord (en volgens Van der Veer ook nog eens verkeerd had uitgelegd).

Een bericht op de NRC-voorpagina van maandag wekte op zijn minst de indruk dat de krant de boot had gemist. Daar stond, vrij terloops, dat Zijlstra al in december tijdens een interview met NRC had toegegeven dat hij „niet aan tafel” had gezeten met Poetin, maar niet had willen ingaan op de vraag of hij in het buitenverblijf van de president (de ‘datsja’) aanwezig was geweest – en „daarom” was deze passage niet in het interview opgenomen.

Vooral het ‘daarom’ is frappant. Zou die weigering niet juist reden zijn geweest het wél op te schrijven, vraagt een verontwaardigde lezer?

De gevallen bewindsman zelf lijkt in elk geval te denken dat hij de waarheid in essentie toen al had prijsgegeven. In antwoord op Kamervragen waarom hij het verhaal nooit had ontkend, zei hij deze week: „Na specifieke vragen van journalisten in december 2017 heb ik aangegeven dat ik niet zelf bij de bijeenkomst met president Poetin aanwezig was.” Op de vraag of hij sinds zijn aantreden had gemeld niet in de ‘datsja’ te zijn geweest, zei hij ook dit „in de context van een interview” al te hebben verteld.

Dat moet slaan op het interview dat NRC-redacteuren Mark Kranenburg en Thijs Niemantsverdriet die maand met hem hadden.

Hoe zit dit?

Zijlstra’s verhaal over zijn geopolitieke avontuur in het buitenverblijf was al langer bekend. Ook onder NRC-redacteuren, aan wie hij het als fractieleider bij een informele bijeenkomst in 2015 al eens had opgedist. In de jaren daarna kwam het on the record ter sprake, bij een Zomeravondgesprek met Van der Veer in 2015 en in een interview met Zijlstra in 2016. Geen van beide keren haalden hun opmerkingen de krant: te algemeen. De zaak was ook nog niet controversieel, dat werd die pas na Zijlstra’s benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken.

Toen kwam het interview van Kranenburg en Niemantsverdriet. Weer kwam de anekdote ter sprake. Geen wonder, want in de Volkskrant had Shell-topman Van der Veer kort ervoor, eind oktober, dit bommetje gelegd: „Al mijn bezoeken aan president P, daar was Halbe niet bij.” Buitenlandse Zaken liet weten dat Zijlstra wilde bevestigen noch ontkennen dat hij erbij was geweest, bronnen binnen het departement verspreidden de versie dat hij niet aan tafel had gezeten, maar wel in de datsja was.

Dat laatste wilde Zijlstra óók in het december-gesprek met Kranenburg en Niemantsverdriet niet bevestigen of ontkennen. Terwijl dat volgens de auteurs nu net de hamvraag was. Aangezien er geen antwoord op kwam, besloten ze de hele passage te laten vallen: dit was geen nieuws, het strookte met de mededelingen van BuZa. Bovendien, de focus van het interview was heel anders, er moest met de prille bewindsman een complete tour d’horizon worden gemaakt over internationale zaken, en dan vergde dit weer te veel uitleg, in een volgens de auteurs toch al moeizaam bevochten groter artikel, dat vlak voor het kerstreces de krant in moest.

Achteraf slaan de auteurs zich voor de kop, zegt een van hen, dat ze het niet toch hebben opgeschreven. Met reden. Uit het transcript van het ongepubliceerde deel van het gesprek, dat ik van hen ter inzage kreeg, blijkt dat Zijlstra geen volledige openheid bood, maar wel cruciale hints gaf. Hij bevestigde dat hij niet aan tafel had gezeten, maar óók dat hij niet aanwezig was geweest in de kamer met Poetin (dus ook niet ergens achterin). Poetin deed zijn uitspraken tegenover Van der Veer, aldus Zijlstra – en hij hoorde er blijkbaar pas achteraf van. Wanneer precies bleef ongewis (het bleek acht jaar later) en werd hem ook niet gevraagd. Daardoor bleef de suggestie hangen dat hij op de een of andere manier toch ergens in de buurt was geweest en er kort na de bijeenkomst iets over had gehoord.

Maar ook dit stond al loodrecht op Zijlstra’s eerdere publieke versie dat hij „achterin het zaaltje” Poetin „heel goed” Groot-Rusland had horen uitleggen. Dat sloot Zijlstra nu zelf uit, hij was er niet bij in die kamer. Ergo: hij had andersmans ervaringen ‘geleend’, de angel van het latere schandaal. Wat ontbrak, was de genadeklap: de finale bekentenis dat hij helemaal niet in de datsja was geweest en het verhaal pas jaren later had gehoord, in 2014.

Los van de afwegingen om deze publicatie, had het gedraai van Zijlstra dus meer argwaan moeten wekken. De krant is na het gesprek niet doorgegaan op de kwestie door meer bronnen op te sporen of opnieuw bij de bewindsman aan te dringen.

Intussen kunnen ook elders kanttekeningen worden geplaatst – bijvoorbeeld bij de BuZa-bronnen die volhielden dat Zijlstra in de datsja was geweest. Of bij Van der Veers lezing van Poetins woorden als louter ‘historisch’, die in de media voetstoots voor waarheid is aangenomen. Alsof de Shell-topman niet ook belang kan hebben bij een bepaalde versie van zijn geheugen. Het contrast is groot met het opvallend gretige gebruik van ‘liegen’ en ‘leugens’ voor Zijlstra’s theatrale verzinsel (NRC sprak ook, iets genadiger, van zijn „stoere verhaal”).

Tot slot. Nu we het toch over herinneringen hebben: moeten we de schrijver geloven die in een roman beweert een zoon te zijn van Prins Bernhard?

Het relaas van de literator, Oscar van den Boogaard, stond afgelopen zaterdag in NRC en was fascinerend genoeg. Maar is het ook waar? De redactie legde vier vragen voor aan de RVD – de voorspelbare antwoorden (de dienst kon niets bevestigen) kwamen in een kader bij het interview te staan.

Akkoord. Maar was er niet méér te checken geweest, bijvoorbeeld over Van den Boogaards beweringen over zijn (wettige) vader, moeder, hun biografie en zijn eigen jeugdherinneringen?

Wie weet komt er nog steunbewijs, uit welke hoek dan ook. Onderzoek naar spectaculaire beweringen, of ze nu komen van ministers of van schrijvers, houdt niet op als ze eenmaal gepubliceerd zijn – of niet.

Reacties: ombudsman@nrc.nl