Recensie

‘Wees een heiden van het heden’

Benno Barnard

In de poëzie van Benno Barnard zijn Angelsaksische invloeden alom aanwezig. Het levert indrukwekkende gedichten op over de onvolmaaktheid van het menselijk bestaan.

Van meet af aan toonde Benno Barnard zijn bewondering voor Angelsaksische dichters zoals W.H. Auden (1907-1973). In zijn achtste bundel treedt hij nu ook in het confessionele spoor van de Amerikaan Robert Lowell (1917-1977). De personages in zijn nieuwe gedichten zijn navenant. Elk daarvan komt uit zijn directe omgeving: zijn vader Willem Barnard (alias Guillaume van der Graft), zijn echtgenote Joy, zijn zoon Christopher en zijn te vroeg gestorven adoptiedochter Anna. En uiteraard ook de dichter zelf, Benno Barnard (1954).

Robert Lowell stierf op zestigjarige leeftijd. Is het toeval dat Barnard in Het trouwservies die leeftijd als mijlpaal koos? ‘Alweer november en je wordt godsamme zestig. / Neem me niet kwalijk dat ik vloek, maar o de overhand / die de dagen van regen en weemoed nu krijgen’, dicht hij midden in de bundel. Hier klinkt een echo van de dichter J.C. Bloem (1887-1966), en ook elders stoeit Barnard met citaten. De onvolmaaktheid van het menselijk bestaan is dan altijd weer het leidend thema. En ook de dood. ‘De dood’, meldt hij in zijn vers over het Antropologisch museum in Mexico City: ‘de dood is nu eenmaal de schoot van de poëzie.’

In het recentste nummer van de Poëziekrant (november-december 2017) suggereert Johan Reyniers dat de titel van Barnards bundel zich ook laat lezen als ‘’t Rouwservies’. Er wordt inderdaad heel wat getreurd. Maar dan wel steeds met understatements en relativering, die nergens ten koste gaan van de persoonlijke emotie.

In de derde van Barnards ‘Vaderdromen’ typeert de vader het dichterschap van zijn zoon in kritische regels. ‘Je bent wel slim in geschrifte’, stelt hij, ‘maar het betere / sentiment is ook jou niet onbekend. Alles bij elkaar / heb je geen ruggengraat, ben je meer vorm dan vent, // nietwaar? Dat moet je jou niet kwalijk nemen: / je hebt jezelf niet gemaakt...’

Deze regels zijn typerend voor de ambigue bewoording waarin Barnard zijn beleving van de wereld uitschrijft. Die is boordevol paradoxen. ‘O geef ons een vers dat staat als een burgerlijk huis!’ roept hij in het gedicht ‘Bob Dylan’. Maar eerder in de bundel, in ‘Een ander dier’, verzet hij zich juist, hoe vergeefs ook, tegen burgerlijkheid. ‘Ik ben altijd weer ontevreden in het dode leer / van mijn schoenen,’ schrijft hij daar: ‘die moeizame rol van meneer - / ik ben het niet eens met de wereld maar zij is mijn enige huis.’

Afscheid

Op de eerste pagina’s van Het trouwservies neemt Barnard indrukwekkend afscheid van zijn vader, maar vanaf het derde gedicht is zijn poëzie bevolkt door ‘warmbloedige schepsels met hun ongemakkelijke /herinneringen en hun afschuwelijke kwetsbaarheid’. De dichter zelf is uiteraard een van die schepsels, maar ook historische personages zoals de hond op het zeventiende-eeuwse schilderij van Gerbrand van den Eekhout en het pissende vrouwtje van Rembrandt krijgen een rol in Barnards levensgevoel. Hij schrijft zich letterlijk door de tijd en permitteert zich daarbij ook anachronismen. Dan vergelijkt Rembrandt (1606-1669) zich met Mozart (1756-1791) en vraagt Gavrilo Princip (1894-1918), de moordenaar van aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk, zich af welke metamorfose hij nodig heeft voor ‘een te gek artikel op Wikipedia’.

Ik verwees hierboven naar de confessionele poëzie van Lowell. Barnard volgt diens spoor vooral in het tweede deel van Het trouwservies. Een prachtig voorbeeld is het gedicht ‘Goede raad’, waarin hij zijn zoon de weg in de wereld wijst. Ik citeer de middelste vier coupletten:

Bidden helpt niet echt. En nu ik toch bezigben: pleng nooit andermans zilveren tranen.Ook: verander geregeld van mening, heb geen

verstand van politiek en niet te veel van kunst(mijn kijk was nooit veel soeps). Minachthet postmodernisme: het heeft geen kloten.

Wees een heiden van het heden: waarom zou je van Claus moeten houden? Wantrouwde natuur: beter is het in een park te vertoeven.

Dat was het zowat. Laatst las ik een gezegde van de Zoeloes: een mens wordt een mens door andere mensen, umuntu ngumuntu ngabantu.

De stijl van dit citaat is typerend voor Barnards poëzie. Ook hier toont zich de Angelsaksische invloed. Opvallend is het op lengte volgehouden parlando. Bij Barnard geen renaissancistische stijltrucjes, zoals ‘raccourci’ (verkorting of verdichting). Toch opent hij de titelcyclus van Het trouwservies met ‘Sonnet CXIII’, maar dat gedicht telt acht terzinen en heeft dus allerminst de vorm van een renaissancistisch sonnet. Meer knipoog nog lijkt de vorm van de slotcyclus ‘Gebed zonder eind’. Daarin is de slotregel van elk van de tien gedichten de beginregel van het volgende vers. En de slotregel van het tiende gedicht is een echo van de eerste regel van de cyclus. Dat is het poëtisch model van de sonnettenkrans.

Zoveel aandacht voor de vorm gaat ten koste van de inhoud. Bij Barnard is juist die indrukwekkend. Overtuigend liefdeszanger is hij in ‘Ode aan Joy’ en ‘Perzik’. En geen Nederlandse dichter zette het wel en wee van het vaderschap zo ‘met kloten’ in taal als Benno Barnard in ‘Gebed zonder eind’.