Foto Ilvy Njiokiktjien

‘We waren te jong om bang te zijn voor de Duitse soldaten’

Geeske Leunen-Schurink (84) was acht jaar toen haar ouders vertelden dat er onderduikers in huis kwamen. Tot de bevrijding was het ‘horen, zien, zwijgen’. Haar familie krijgt deze week een onderscheiding voor het redden van joden tijdens de oorlog.

Ze waren met vier kinderen: Vera (12 jaar), Piet (11), Emmy (9) en Geeske (8). Op een avond in het oorlogsjaar 1942 werden de kinderen bij elkaar geroepen door hun ouders. Ze gingen aan tafel zitten, onder de muurspreuk ‘horen, zien en zwijgen’ en de drie aapjes die hun handen op hun oren, ogen of mond hadden.

„Mijn ouders zeiden: ‘We krijgen joodse onderduikers in huis. Denk eraan: dit mag je aan NIEMAND vertellen! NOOIT!’ Ze wezen naar de spreuk en zeiden. ‘Als jullie iets vragen en wij vinden dat jullie het niet te hoeven weten, dan wijzen wij naar de spreuk.’ En dan wisten wij: er wordt niets meer gevraagd”, vertelt Geeske Leunen-Schurink (84).

Vier onderduikers, onder wie de 26-jarige E (voluit Emanuel) Joëls, kwamen in het huis van de familie Schurink in Apeldoorn. De kinderen hielden jarenlang hun mond, tot de bevrijding in 1945. Piet zweeg zelfs toen een klasgenoot zei ‘wij hebben joodse onderduikers in huis’. Geeske zegt: „Eigenlijk is het dan logisch dat een kind dan zegt: wij ook. Maar mijn broer heeft zijn mond gehouden en heeft wel thuis verteld dat de jongen het had gezegd. Toen is er groot alarm geslagen en zijn de onderduikers daar meteen weggehaald en bij ons gebracht voor een tijdje.”

Geeske en Emmy deden ook koerierswerk. „Elke zaterdag, om de beurt”, zegt Geeske. Hun tocht voerde naar het huis van de familie Vis, die een paar honderd meter verderop in Apeldoorn woonde. Dat was het onderduikadres van Hetty, de verloofde van E. Elke week maakte E voor zijn verloofde een nieuwe aflevering van zijn stripverhaal over Dompie Stompie IJzerdraad.

Geeske: „Het was feest als er zaterdags weer eentje af was. Dan werd het verhaal voorgelezen.” Daarna gaf E de strip mee. „De pagina vouwde hij op een heel speciale manier, voordat wij die in onze zak staken. Bij de familie Vis wachtten we op antwoord van Hetty en kregen dat weer mee. We waren niet bang om aangehouden te worden, daar waren we te jong voor.”

E Joëls en Hetty van Son, van wie het verhaal eerder in NRC is beschreven, overleefden de oorlog. Net als de andere onderduikers bij de families Schurink en Vis. De families krijgen dinsdag de Yad Vashem-onderscheiding, die Israël geeft aan mensen die tijden de Tweede Wereldoorlog joden hebben gered. Van de betrokkenen zijn alleen Geeske, haar broer Piet en Corrie Vis nog in leven. „De onderscheiding is een mooie erkenning”, vindt Geeske, „maar het is heel jammer dat mijn ouders er niet meer zijn.”

Haar vader, Herman Schurink, was een gemeenteambtenaar; haar moeder Antje was huisvrouw. Ze zaten geen van beiden in het verzet, maar zeiden ja toen de familie Vis vroeg of ze onderduikers konden herbergen. Dat was een riskant besluit: wie werd betrapt met onderduikers in huis werd gedeporteerd en vaak geëxecuteerd. „Mijn oma, die bij ons in huis woonde, was er daarom heel erg tegen gekant”, zegt Geeske.

Waarom deden uw ouders het?

„Ze waren geen avonturiers, ze waren heel degelijke mensen. Maar dit kwam op hun weg en ze voelden dat ze het moesten doen. Later heeft mijn moeder ons verteld: ‘Vader en ik waren het eens, we moesten die mensen helpen.’ Dat was alles. Mijn ouders waren Nederlands Hervormd, nogal vrijzinnig protestants. Het geloof speelde voor mijn ouders denk ik wel een rol bij hun besluit onderduikers in huis te nemen.”

Waar zaten de onderduikers?

„Boven de keuken. We woonden in een heel apart huis: vrijstaand, met een grote tuin ernaast, een boomgaard. In de loop van de jaren waren er steeds stukken aan het huis gebouwd. Het huis was zo gecompliceerd dat met meten niet te achterhalen was dat er nog ergens een verborgen ruimte moest zijn. Die ruimte was op de zolder boven de keuken. Daar had mijn vader een dubbele wand gemaakt. Daarachter was een ruimte van een meter diep waar onderduikers konden schuilen en waar ook de radio stond. Ze konden de wand van binnenuit afsluiten. Je kwam op zolder via een trap in het washok achter de bijkeuken.”

Bekijk ook de fotoserie: De meidagen van 1940 door Duitse ogen

Hoe leefden de onderduikers?

„Ze zaten vooral op de zolder. Ze konden overdag ook in het washok komen; dat was helemaal geblindeerd. Ze mochten alleen door het huis lopen als ze naar het toilet moesten. Eén onderduiker, Sylvain, is helemaal doorgedraaid door het binnenzitten. Mijn ouders hadden altijd zomergasten in een gedeelte van ons huis. Dat moest blijven doorgaan, want stoppen zou meteen in de gaten lopen.

„De zomergasten gebruikten de keuken, onder de zolder. Op een gegeven moment zeiden de zomergasten tegen onze hond ‘wat zegt ie dan?’. Toen kwam er van boven ‘waf waf waf!”. Dat was Sylvain. De gasten merkten het niet, maar mijn moeder zei: ‘Dit kan zo niet.’ Sylvain is gedropt op een straathoek waar een psychiater hem heeft opgepikt. Sylvain heeft de oorlog overleefd in een psychiatrische inrichting.”

Zaten ze altijd op of bij de zolder?

„Nee hoor. Op zaterdag kwam iedereen beneden en speelde monopoly. E had een monopolyspel gemaakt van sitspapier in verschillende kleuren; oom Dick, een andere onderduiker, had de huisjes gemaakt van hout en beschilderd. Ik zat op schoot bij Sylvain en later bij E. De onderduikers hebben mijn ouders ook leren bridgen. E schudde de kaarten: dan had-ie twee stapels en dan prrrr, dan duwde hij de kaarten zo in elkaar. Dat heeft hij ook mij en Emmy geleerd. Nog altijd laten mijn vriendinnen mij de kaarten schudden. E heeft me zoveel geleerd, ook met tekenen. Ik heb de onderduik ervaren als een heel gezellige tijd.”

Zaten jullie niet voortdurend in spanning betrapt te worden?

„Nee. We waren wel voorzichtig, want mensen hielden je in de gaten. We hadden geen riool maar een beerput. Later hoorden we dat de buren vaak tegen elkaar zeiden: wat wordt die beerput toch vaak geleegd bij Schurink. De zus van mijn opa, een kletsmeier, mocht ook niets weten. Die kwam geregeld over de vloer. Ze had een speciaal loopje dat wij goed kenden. Zodra we dat in de verte zagen, riepen we: ‘Tante Mina komt eraan!’ Dan was het spul weg, naar boven. En we konden nooit vriendinnetjes in huis halen, ook niet als we jarig waren.

„De ligusterheg voor het huis hadden we hoog laten groeien, zodat we geen inkijk hadden. Oh, die heg! Onze hond was fel op soldaten die langskwamen en blafte ze aan. Dan schoten de soldaten door de heg en de hond danste op en neer om de kogels te ontwijken; hij is nooit geraakt. Als er huiszoeking kwam, zei mijn moeder tegen de soldaten, met een kaars in de hand: ‘Kom maar binnen. Wilt u kijken onder de bedden?’ Dan hoorden ze de hond en dat vonden ze eng, vooral omdat het donker was. Dan waren ze gauw weg.”

Als mijn ouders naar de spreuk op de muur wezen, wisten wij: en nu geen vragen meer stellen

Dus jullie waren nooit bang?

„Jawel, voor de bombardementen. Daar was ik verschrikkelijk bang voor. Bij ons voor reden treinen en die werden beschoten door vliegtuigen, die het spoor bombardeerden. Dat was zo dichtbij. Wij hadden geen kelder, dus als het luchtalarm ging, gingen we naar de achterkamer. Een keer is er een scherf ingeslagen op de plek waar mijn moeder een paar tellen eerder nog had gezeten.”

Hoe werden al die elf mensen gevoed?

„Dat was een groot probleem, vooral toen mijn vader ook bij ons onderdook om te ontkomen aan de tewerkstelling in Duitsland. Toen moest mijn moeder aan de kost zien te komen. Ze ging de boer op met een fiets met houten banden; die trapte zo zwaar! Ze ging naar Boekelo en kwam met tassen vol zout terug en ruilde dat tegen eten bij boeren, die hun vlees ermee pekelden.

„Ze haalde ook onze wollen truien uit en de onderduikers breidden daar kinderkleertjes van. Die kleren ruilde mijn moeder bij boeren met kleine kinderen tegen eten. Dan zei zo’n boer: kun je volgende keer sokjes meebrengen? Een keer zou er een kind jarig worden en vroeg een boer: kun je een pop meenemen? Een van ons moest toen zijn pop inleveren. Die werd netjes aangekleed en geruild. Alleen de pop met slaapogen van Emmy hoefde niet weg, want die had ze gewonnen met wedstrijdschaatsen. Dat vonden wij zo gemeen.”

Waren jullie opgelucht toen de onderduikers weg waren na bijna drie jaar?

„Helemaal niet! Ik miste daarna de gezelligheid. En E was een soort grote broer geworden. Onze families zijn ook altijd contact blijven houden; we waren op elkaars verjaardagen. E is vorig jaar overleden, maar zijn dochter spreken we nog geregeld.”