Column

Waarom politici twijfelen aan de totale openheid die burgers opeisen

Deze week: Lubbers' geheimtaal en Zijlstra's verzonnen verhaal.

Ofwel: als politici openheid poseren en prestaties verfraaien.

Het was natuurlijk de week van Lubbers en Zijlstra: de geheimtaal van de één tegenover het verzonnen verhaal van de ander.

De klap in de coalitie over Zijlstra dreunde dagen na. Kabinetten winnen aan innerlijke kracht wanneer zij hun eerste confrontatie met de oppositie weerstaan.

Dat schept solidariteit in de Treveszaal en geeft bewindslieden vertrouwen als zij later ineens zelf in de wind komen te staan.

Nu viel er niet eens een verdediging te voeren. Zijlstra, architect van de coalitie en een collegiale kerel, vertrok 36 uur na het verhaal van de Volkskrant over zijn gefabriceerde datsjabezoek aan Poetin.

Hier verliet niet alleen een VVD-prominent het politieke toneel: hier werd de grondslag van een toch al fragiele coalitie aangetast.

Kort erna, woensdag, bracht het overlijden van Lubbers een politiek van een voorbije tijd terug in de actualiteit.

Waar Zijlstra sneuvelde op het moderne verlangen dat politici ‘een verhaal’ vertellen om de burger te ‘raken’, was Lubbers’ geheimtaal een manier om de burger zo min mogelijk te raken.

Toen verstopten politici hun compromissen in ondoordringbare zinnen, nu verstoppen politici hun tekortkomingen in verfraaiingen van optredens en prestaties.

En de vraag die onwillekeurig opkwam was: hoe kon het gebeuren dat Den Haag aangedikte werkelijkheden ging verkiezen boven verborgen werkelijkheden?

Als je wandelt door de Haagse gangen zie je steeds meer politieke spelers die innerlijk twijfelen aan de bijna totale openheid die van hen wordt verwacht.

Voordat de coalitie in het weekeinde werd overvallen met het naderende nieuws over Zijlstra, spraken ze elkaar in het kabinet moed in omdat ze zaken zo goed binnenskamers hielden.

Bijvoorbeeld de krasse bestuurlijke ingreep van staatssecretaris Knops op Sint Eustatius, waarover wekenlang in de coalitietop was overlegd, lekte niet uit. Kijk, zeiden ze tegen mekaar, we kunnen zaken nog geheimhouden.

Dit heeft ook te maken met de permanente druk van de buitenwereld die zij ervaren.

Geen politicus zal nog durven weerspreken dat de vrijheid van meningsuiting, vvmu, een groot goed is. Maar de praktische betekenis is dat politici via sociale media worden overladen met meningen.

Vvmu? Vvmo: vrijheid van meningenoverschot.

Woensdag overdag, na Zijlstra’s vertrek maar voor het nieuws van Lubbers’ overlijden, vertelde een coalitie-Kamerlid me opgetogen over leven zonder sociale media.

Eppo Bruins van de ChristenUnie, een nieuweling die zijn weg in Den Haag snel heeft gevonden, vertelde me van zijn goede voornemen in vastentijd. Hij had Facebook en Twitter van zijn telefoon gehaald, en wil dat tot Pasen volhouden.

„Wat een rust”, zei hij opgeruimd. „Ik heb soms weer tijd om even dóór te denken.”

Een ander effect van het informatieoverschot is dat politici ook het geloof in het debat vrijwel hebben verloren.

Vorige week vrijdag traden de meeste partijleiders op bij Het Parool voor de gemeenteraadsverkiezingen. Niet voor het eerst keer werd daar geïllustreerd dat politici zo’n debat, bedoeld als openbare gedachtenwisseling, vooral nog gebruiken voor zelfverklaring.

Luisteren naar andermans argumenten, elkaars opvattingen wegen, het belang van ideeënconcurrentie inzien – het is vervangen door alleen zenden. Preken voor eigen parochie. Babbelcratie. Bubbelcratie.

De bottomline: ook hier brengt openheid geen verbeterde democratie, maar geposeerde democratie.

Dus het was deze week gemakkelijk, en ook onvermijdelijk, Zijlstra’s verzonnen datsjabezoek neer te sabelen. Maar het kan geen kwaad het perspectief te zien: politici die een rol spelen, politici die hun openbare optredens poseren, zijn voortaan eerder regel dan uitzondering.

Nu kun je zeggen: alles beter dan de besloten politiek uit de Lubbers-jaren. Het is de voornaamste les van de Fortuyn-revolutie (2002): ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg.

Maar ook dat is paradoxaal uitgepakt. Want ondanks alle (geposeerde) openheid van de huidige politiek, zijn sommige verhulde omgangsvormen in het bestuur gewoon gebleven.

En toeval is dat allerminst: in zeker opzicht is Lubbers onverminderd actueel.

Een van zijn grootste prestaties was zoals bekend het Akkoord van Wassenaar in 1982. Lubbers’ eerste kabinet, een coalitie van CDA en VVD, was net aangetreden met een regeerakkoord dat linkse partijen en vakbeweging de gordijnen injoeg. Lagere uitkeringen, lagere ambtenarensalarissen, privatiseringen, etc. Een kleinere overheid.

De toenmalige recessie was vele malen ernstiger dan wat na 2008 ‘de crisis’ heette: de werkloosheid dreigde destijds het miljoen werknemers te passeren; het financieringstekort van de overheid ontsteeg dat jaar de 10 procent.

Het akkoord dat werknemers en werkgevers destijds sloten, was het resultaat van een ragfijn spel waarbij Lubbers’ kabinet dreigde met zwaardere ingrepen in de collectieve uitgaven: om die te verzachten was de vakbeweging alsnog bereid tot een deal met werkgevers.

De inhoudelijke reikwijdte – loon inleveren in ruil voor korter werken – was beperkt, maar de symboolwaarde enorm: de vakbeweging, geleid door Wim Kok, toen al in beeld als kandidaat-PvdA-leider, gaf impliciet draagvlak aan Lubbers’ crisisbeleid en, belangrijker, werd losgeweekt van het linkse politieke verzet tegen Lubbers.

Het boeiende is: uitgerekend Rutte III, ook een kabinet zonder linkse partijen, is nu in talrijke vertrouwelijke overlegjes doende met een vergelijkbaar plan.

Het verschil is dat dit kabinet niet wordt geconfronteerd met een economische crisis – integendeel. De overeenkomst is dat het kabinet op gevoelige dossiers (pensioenhervorming) amper om de vakbeweging heen kan, en op andere (de arbeidsmarkt) de vakbeweging kan dreigen.

Zo ziet ook dit kabinet mogelijkheden de vakbeweging los te weken van links in de Kamer. Het vergt het soort politiek vernuft waarover Lubbers intuïtief beschikte. En het soort geheimtaal waarin hij grossierde.

De grote vraag de komende maanden is of deze coalitie een vergelijkbaar kunststukje kan uithalen. Rutte liet eerder al merken – zie het sociaal akkoord van 2013 – dat hij hier gevoel voor heeft. Kwetsbaar is wel dat veel voorwerk moet komen van Wouter Koolmees, een aimabele minister met één handicap: hij is van antipolderpartij D66.

Somberaars zeggen dat de vakbeweging, hongerig naar ledenwinst, sowieso geen trek in grote akkoorden heeft, terwijl een recent vertrek van de voorman van het midden- en kleinbedrijf duidt op crisis in werkgeverskringen.

En het publieke verlangen naar openheid, waaraan zoveel politici geforceerd voldoen, verhoudt zich slecht met dat polderen. Zo dubbelzinnig is het: voor bestuurlijk succes is polderen noodzaak, voor politieke populariteit moet je er van afzien.

En dus blijven veel politici flirten met de verwachting van bijna totale openheid.

Terwijl zelfs de politieke kinderen van Pim laten zien dat ook zij niet aan de verlangens van het publiek kunnen voldoen. De PVV en FvD zijn beide enorm voor méér democratie – behalve in de eigen partij. Ook ze zijn enorm voor méér openheid – behalve in de eigen partij.

Het resulteert erin dat de meeste politici openheid blijven poseren. Totdat één collega nogal pijnlijk op zo’n pose wordt betrapt: dan is het huis natuurlijk te klein.