Column

Twee cadeaus van Philip Roth

Michel Krielaars

Wat was ik van slag toen Philip Roth in 2012 aankondigde dat hij stopte met schrijven en ik nooit meer iets nieuws van hem zou kunnen lezen. Terwijl hij in de voorafgaande jaren juist de ene na de andere geweldige roman had gepubliceerd. Gesmuld had ik van zijn drie laatste boeken Indignation (2008), The Humbling (2009) en Nemesis (2010). Ze straalden energie uit, alsof de schepper ervan in de bloei van zijn schrijverschap verkeerde. Maar na Nemesis was die energie na meer dan vijftig jaar blijkbaar toch op. Roth liet zijn fans verweesd achter.

Het was dan ook fijn dat The New York Times op 16 januari j.l. een interview met de bijna 85-jarige schrijver publiceerde, waarin hij zich uitliet over zijn literaire nalatenschap (zijn biografie wordt geschreven, The plot against America tot televisieserie bewerkt), zijn dagelijks leven (geschiedenisboeken lezen, vrienden zien, concerten bezoeken, genieten van elke dag dat hij wakker wordt) en zijn verbazing over wat er in Amerika aan de hand is (Trump). Zo beweert hij dat niemand in zijn omgeving voorzien heeft „dat de grootste catastrofe die de Verenigde Staten in de 21ste eeuw kon overkomen, de meest vernederende van alle rampen, niet zou verschijnen in, zeg, de beangstigende vermomming van een Orwelliaanse Big Brother, maar als het onheilspellende, belachelijke commedia dell’arte personage van de opschepperige hansworst.”

Ook laat Roth zich uit over de vermeende actualiteit van zijn uit 2004 daterende The Plot against America. Volgens hem kun je de in dat boek tot president verkozen piloot Charles Lindbergh niet echt met Donald Trump vergelijken. Lindbergh was weliswaar een racist en een antisemiet, maar ook een authentieke Amerikaanse held, terwijl Trump „een enorme bedrieger, de kwade som van zijn gebreken” is, „verstoken van alles behalve de holle ideologie van een megalomaan.” Voor zulke bewoordingen moet je toch echt bij een schrijver als Roth zijn.

Behalve dat interview viel er een nog groter cadeau uit de literaire hemel. Want een paar weken geleden verscheen Roths Why Write? Collected nonfiction 1960-2013. Het bevat onder meer de niet eerder gepubliceerde lezing ‘Juice or gravy’ uit 1994, die een onthulling bevat. De schrijver vertelt hierin namelijk hoe hij in 1956, als hij net een baantje aan de Universiteit van Chicago heeft, in zijn vaste cafetaria een door iemand anders op tafel achtergelaten A4’tje aantreft. Op dat velletje staan negentien getypte, onsamenhangende zinnen. Toen ik ze las herkende ik in chronologische volgorde meteen de beginzinnen van zijn eerste negentien boeken, van Goodbye, Columbus (1960) tot en met Operation Shylock (1993). Telkens als Roth aan een nieuw boek begon, koos hij een volgende zin van dat A4’tje als het begin ervan. Alsof dat A4’tje een dienstbevel van hogerhand was. En zo schreef hij dertig jaar voort, zonder ooit te weten wie die zinnen had bedacht.

Een van die zinnen gaat over een 86-jarige vader die per abuis met aangezichtsverlamming wordt gediagnosticeerd, terwijl hij een hersentumor heeft. Vijfendertig jaar later publiceert Roth Patrimony, een memoir over zijn eigen 86-jarige vader die hetzelfde overkwam. Ineens was het alsof Roth in dat cafetaria niet alleen de literatuur kreeg aangereikt, maar ook zijn toekomstige leven. Alsof hij zonder dat A4’tje nooit al die meesterlijke boeken had kunnen schrijven.