Svindal overwint alle malheur

Skiën

De Noorse veteraan Aksel Lund Svindal wint de afdaling. Zijn erelijst is net zo indrukwekkend als zijn medisch dossier.

Aksel Lund Svindal op weg naar olympisch goud op de afdaling in Pyeongchang. Foto Guillaume Horcajuelo/EPA

Terugblikkend op het leven van Aksel Lund Svindal welt één prangende vraag op: hoe is het mogelijk dat een 35-jarige skiër met zo’n getourmenteerd lichaam olympisch kampioen op de afdaling kan worden? Het antwoord is simpel: omdat hij Aksel Lund Svindal is, een man van staal en oersterk van geest.

De Noor heeft al veel gewonnen en behoorde in Pyeongchang tot de favorieten. In die zin wekt zijn zege, in het nu eens zonovergoten Jeongseon Alpine Centre, geen verbazing. Het is zijn levensloop die zijn eerste afdalingsgoud een extra dimensie geeft.

Op het oog zit er tijdens de persconferentie na het koningsnummer een charismatische, vrolijke, welbespraakte, stoere man achter de tafel. Hij zal niet op zijn hoogtepunt stoppen, want hij aast nog op één prijs: de Hahnenkammrennen in Kitzbühel.

Svindal heeft een uitgesproken voorkeur voor de snelheidsnummers, maar hij is vooral de liefhebber onder alpineskiërs, in zijn element als hij met snelheden boven de honderd kilometer van een berg raast. Twee olympische titels heeft hij nu – in 2010 won hij goud op de Super-G – naasts vijf wereldtitels en 35 wereldbekerzeges.

Risico’s van het vak

De risicio’s van dat vak accepteert hij. Svindal heeft een medisch dossier opgebouwd dat menig sterveling uit zijn evenwicht zou brengen. Wat moest in de loop der jaren al niet gerepareerd worden aan zijn lichaam? Kruisbanden, enkels, knieën, meniscussen, jukbeenderen, kaken of zijn achterwerk. De gevolgen van talrijke valpartijen, met Beaver Creek in 2007 en Kitzbühel in 2016 als spectaculairste.

Telkens als Svindal in de kreukels lag, nam hij zich heilig voor te blijven skiën. Zijn passie voor de sport zit diep. Pijn boezemt hem angst in, maar niets mooier dan terug te keren van een blessure, vindt hij.

Een jaar geleden lag hij in Oslo op de operatietafel om zijn gecrashte knie te laten repareren. Het zou hem negen maanden revalidatie kosten, besefte hij, maar dan was Svindal ook volledig gereset voor het olympische seizoen. Blijmoedig benaderde hij zijn herstel, met donderdagmiddag de gouden medaille als bekroning.

Zo overwint de Noor steeds weer de tegenslagen. Sippen heeft geen zin, heeft hij geleerd. Svindal laat nooit de moed zakken, ook al toont het leven zich van de zwartste zijde.

Hij is gehard door de dood van zijn moeder. Svindal was acht jaar en zou er een broertje of zusje bij krijgen. De bevalling eindigde in een ongekend drama, waarna hij gedwongen was het leven voort te zetten zonder moeder.

Hoe jong Svindal ook was, zijn gevoel zei hem destijds dat groter leed niet bestaat. Een blessure? Wat stelt dat voor? Die is er om van te herstellen, zo simpel is dat.

Evenwichtige sportman

De mix van optimisme en relativisme maakt Svindal tot een evenwichtige sportman en tot een skiër die zich nergens te groot voor voelt. Hij geniet van het Noorse team, van de collega-skiërs met wie hij al jaren de wereld over trekt. Zijn goed gevulde bankrekening heeft hem niet blasé gemaakt.

Svindal doet niets liever dan met zijn teamgenoten in eenvoudige hotels verblijven en op eenvoudige bedden slapen. Als hij maar samen met zijn maten Kjetil Jansrud en Aleksandeer Aamodt Kilde kan zijn.

Hoe gelukkig was Svindal niet donderdag achter de perstafel met naast hem Jansrud, die zilver had gewonnen. Svindal prees hem regelrecht de hemel in, zo blij was hij voor zijn vriend en landgenoot. Samen op het podium, samen een medaille, samen een feestje bouwen, hoe mooi kan het leven van een skiër zijn.

Héél mooi, vooral als je Aksel Lund Svindal heet.