Stoere vrachtvaarder tussen Noord- en Oostzee

IJsselkogge

Het laatmiddeleeuwse vrachtschip dat in 2010 in de IJssel bij Kampen is gelicht, was een kogge.

Animatie van de onderwateropgraving van de IJsselkogge. Cradle media in opdracht van RWS

Op de garagedeur naast de Drontense woning van Karel Vlierman is een historisch zeilschip afgebeeld, een kogge. Het is zijn werk. In zijn werkkamer boven heeft hij het afgelopen jaar op zijn tekentafel in schaal 1 op 10 reconstructietekeningen gemaakt van de IJsselkogge die in 2016 bij Kampen is gelicht en nu wordt geconserveerd. Het schip stamt uit het begin van de vijftiende eeuw. Vlierman: „Een sleutelvondst! Dit schip vormt het einde van een ontwikkeling van driehonderd jaar. Je ziet al de overgang naar latere scheepstypen. Hij is aanzienlijk groter en zwaarder uitgevoerd dan oudere koggen.”

„Karel Vlierman is dé expert”, stelt onderwaterarcheoloog Wouter Waldus van ADC Archeoprojecten. „Internationaal is hij de enige die álle negentien koggen die tot nu toe in de Lage Landen zijn gevonden heeft bestudeerd.” Waldus nam hem daarom op in het team dat betrokken was bij de opgraving. Ook heeft de 75-jarige Vlierman, vroeger betrokken bij de opgravingen van scheepswrakken in Flevoland en voormalig hoofd beheer van de maritieme rijkscollectie, een belangrijke rol gespeeld bij de recent verschenen publicatie Opgraving en lichting van de 15e-eeuwse IJsselkogge.

„Het project was een mooie mix van moderne en ‘ouderwetse’ onderzoeksmethoden”, zegt Waldus. „Het wrak is onder en boven water helemaal vastgelegd met fotogrammetrie – een opmetingstechniek met behulp van foto’s – waardoor we uitstekende 3D-beelden hebben. Maar het schip was, net als alle andere opgegraven koggen, incompleet en vervormd. Voor een reconstructie zijn we daarom ook aangewezen op Karels kennis en zijn tekenpen.”

De kogge was in de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw het vrachtschip van de Hanzesteden in Nederland en Duitsland. Op basis van de opgegraven wrakken is een tiental kenmerken voor de koggen vast te stellen, zeggen Vlierman en Waldus. Zo had de kogge onder meer één (ra)zeil en gaven de rechte balken van de voor- en achtersteven het schip een scherp trapeziumvormig profiel. Verder bestonden de boorden uit overnaadse planken, werd het schip bestuurd met behulp van een stevenroer en was de bodem plat en zonder uitstekende kiel, wat het schip geschikt maakte voor de Waddenvaart en varen op grote rivieren en in getijdenhavens.

Bulkgoederen

Het schip is ontstaan in een periode dat in Noordwest-Europa de internationale handel groeide en er behoefte was aan grotere schepen voor het vervoer van bulkgoederen. Voor die tijd was er in middeleeuws Noordwest-Europa weinig zeevaart geweest. De binnenvaart was uitgevoerd met eenvoudige schuiten, boomstamboten en rivieraken.

De IJsselkogge is groter en steviger dan andere koggen, blijkt uit de publicatie. Terwijl andere koggen 20 tot 23 meter lang waren, had de IJsselkogge een lengte van ongeveer 25 meter en een breedte van bijna 8,5 meter. Hij kon tegen de honderd ton lading vervoeren. „De boordhoogte was midscheeps 5,85 meter, anderhalve meter hoger dan die van andere koggen”, zeggen Waldus en Vlierman.

Reconstructie van de IJsselkogge: een dwarsdoorsnede

Op verschillende punten waren daarom extra verstevigingen aangebracht, en voor de zware door de scheepshuid stekende dwarsbalkconstructies waren in plaats van houten pennen dikke ijzeren bouten gebruikt. Aan de buitenkant zaten ook nog eens balken die als bumper dienden.

Uit dendrochronologisch onderzoek is duidelijk geworden dat al dat eikenhout afkomstig was uit Westfalen en het Baltische gebied, met name Polen. Toch gaan Waldus en Vlierman ervan uit dat de IJsselkogge tussen 1415 en 1420, kort na het kappen van het hout, in Nederland, mogelijk bij Kampen, is gebouwd. „Pollenanalyse heeft uitgewezen dat het mosbreeuwsel, waarmee de naden tussen de planken waren gedicht, waarschijnlijk afkomstig was van de Veluwse heide. Het breeuwsel was vastgezet met eikenhouten latten en ongeveer 23.000 sintels, een soort ijzeren krammetjes.”

Opvallend: bij alle koggen waren de boorden zo hoog dat de bemanning er niet overheen kon kijken. Daarom was op het achterdek een verhoging gebouwd, soms in de vorm van een klein kasteel. Daar stond ook de stuurman.

Waldus denkt dat de IJsselkogge drie gebruiksfases heeft gekend. Allereerst heeft het schip gewoon als vrachtvaarder dienst gedaan. In het midden was een verhoogde laadvloer om tonnen (o.a. met bier, wijn, vlees en walnoten) te plaatsen. Achterin waren schotten die er vermoedelijk toe dienden om te voorkomen dat zakken graan zouden gaan schuiven. „Waarschijnlijk waren er voor opslag van lading ook nog een of meer extra uitneembare dekken”, zegt Vlierman. „Inkepingen voor dwarsbalken over de hele lengte en aan de voor- en achterzijde vormen daarvoor een aanwijzing.”

Kloostermoppen

De vondst en datering van een koepeloven op het achterdek, gemaakt van kloostermoppen en tegels, doet vermoeden dat de IJsselkogge na verloop van tijd als foerageschip bij konvooien is ingezet. Waldus: „Op koggen gebruikten ze normaal vuurkisten in de kombuis. Verder dateren de gebruikte tegels van rond 1450, dus een flink aantal jaren na de bouwdatum.”

Tot slot kreeg het schip, samen met een punter en een aak, de functie van waterstaatkundig object. Het werd bewust tegen de oever naar het Brunneperdiep (een rivierarm in de IJsseldelta) gezet en met klei verzwaard om op zijn plek te blijven liggen. „De drie vaartuigen kregen zo de functie van hoofd in de rivier.”

Na afronding van het opgravingsonderzoek gaat Waldus met geld van NWO nog even verder. „Met behulp van een virtueel 3D-model en een simulatieprogramma gaan we de vaarkwaliteiten onderzoeken.”

Vlierman kan uit eigen ervaring al iets over de vaarkwaliteiten van de kogge zeggen. Twintig jaar geleden is hij zijdelings betrokken geweest bij de bouw van de Kamperkogge, een reconstructie op basis van een wrak dat bij Nijkerk in de Flevopolder is opgegraven. „Tijdens een proefvaart heb ik aan het roer mogen staan. Het schip was met een man of zes goed te bedienen en het stuurde licht.” En dan doet hij een verrassende bekentenis: „Ik hou niet van varen, zeker niet op zee. Ik moet de wal kunnen zien. Maar ik vind het wel leuk om scheepsarcheologische puzzels op te lossen.”