Recensie

Sloop is vooruitgang

Stadsvernieuwing

Vijftig jaar geleden kregen projectontwikkelaars ruim baan om de binnensteden op de schop te nemen. Ze stuitten overal op verzet.

De Utrechtse burgemeester Coen de Ranitz toont koningin Juliana de maquette van Hoog Catharijne, 9 juni 1968 Foto ANP

Hoe kon het gebeuren dat stedenbouwers en architecten in de jaren zestig de oude binnensteden ‘zo liefdeloos afschreven’, vroeg PvdA-politicus en vroegere wethouder van Den Haag Adri Duivesteijn zich af in zijn recensie op de site Archined van De Ruimtemakers. Projectontwikkelaars en de Nederlandse binnenstad 1950-1980. ‘Liefdeloos afschrijven’ is zacht uitgedrukt. In de jaren zestig werd de oude binnenstad regelrecht gehaat, niet alleen door stedenbouwers en architecten, maar ook door stadsbestuurders en projectontwikkelaars. Elke middelgrote stad in Nederland liet in de jaren zestig plannen maken om grote delen van de oude centra plat te gooien om ruimte te maken voor brede autowegen en grote kantoorgebouwen.

Duivesteijn, die zijn politieke carrière begon als actievoerder tegen de kaalslag in Den Haag, figureert zelf in De Ruimtemakers, een bewerking van het proefschrift van architectuurhistoricus Tim Verlaan. Verlaan voert Duivesteijn op als een lid van de nieuwe generatie bestuurders die omstreeks 1980 een einde maakte aan de grootscheepse sloopplannen van oude buurten. Een eerdere generatie wethouders, onder wie de latere premier Joop den Uyl, had projectontwikkelaars juist ruim baan gegeven om de binnensteden te ‘vernieuwen’. De stadsbesturen hadden de ontwikkelaars, een nieuw soort commerciële bouwers die omstreeks 1960 uit Amerika kwamen overgewaaid, nodig omdat de steden zelf te arm waren om de gewenste grootscheepse vernieuwingen van de oude buurten te financieren. Drie van deze vernieuwingen behandelt Verlaan uitvoerig: Hoog Catharijne in Utrecht, het Spuikwartier in Den Haag en een aantal projecten in de Amsterdamse binnenstad.

Verzet

De ‘groeicoalities’, zoals Verlaan de samenwerking van stadsbesturen en projectontwikkelaars noemt, gingen met wisselend succes aan de slag. In Utrecht kon Bredero de ‘megastructuur’ Hoog Catharijne grotendeels volgens plan bouwen. Maar in Den Haag kreeg de flamboyante Reinder Zwolsman de bouw van een wolkenkrabber van 140 meter in het al gesloopte Spuikwartier niet voor elkaar door het verzet van omwonenden en tegenwerking van het Rijk. En in Amsterdam, waar het verzet van de bevolking tegen de sloopplannen steeds heftiger werd, sneuvelden de plannen voor een snelweg door de Nieuwmarktbuurt en flats bij het Leidseplein.

Op Duivesteijns vraag waar de Nederlandse sloopwoede vandaan kwam, geeft Verlaan tussen de regels door antwoord. Dat komt erop neer dat stedenbouw werd gepresenteerd als harde wetenschap. En alle betrokken wetenschappers wisten zeker dat de zieke binnensteden ten dode waren opgeschreven. Demografen voorspelden een aanhoudende grote bevolkingsgroei die de bouw van buitenwijken noodzakelijk maakte. Sociaal-geografen voorspelden dat ‘cityvorming’ ook in Nederland onvermijdelijk was door de groei van de dienstensector en dat de binnensteden, net als de inner cities in de VS, vol zouden komen te staan met kantoren en winkelcentra. Verkeerskundigen wezen erop dat toenemend autobezit de centra onbereikbaar zou maken, tenzij er snelwegen dwars door de oude steden zouden worden aangelegd. En projectontwikkelaar Bredero, die bijna dertig academici van diverse pluimage op de loonlijst had staan, verkocht Hoog Catharijne als ‘de wetenschappelijke productie van ruimte’, schrijft Verlaan.

Vrijwel alle stadsbestuurders voeren blind op de wetenschappelijke toekomstvisioenen. Zelfs linkse partijen waren onder de indruk en stemden zonder morren in met de grootscheepse stadsvernieuwingen waaraan commerciële bouwers goud geld verdienden. Zo raakte de Nederlandse samenleving ‘geobsedeerd door onstuitbaar geachte moderniseringsprocessen’, schrijft Verlaan. De sloop van de oude steden werd algemeen beschouwd als iets waarvoor geen alternatief bestond. Het verzet tegen de plannen van de projectontwikkelaars, dat van begin af aan bestond, gold als oneigentijdse oppositie tegen de ‘moderniteit’, schrijft Verlaan: wie tegen de sloop van de binnensteden was, was tegen de vooruitgang. Pas toen het verzet uitgroeide tot een soort volksopstand daagde bij stadsbestuurders het inzicht dat het behoud van de oude binnensteden ook eigentijds was.

    • Bernard Hulsman