Recensie

Op weg naar een kleurloze technocratie

Parlementaire geschiedenis

Nederland wordt niet zozeer van kabinet op kabinet geregeerd, maar over langer lopende maatschappelijke episodes. Dat blijkt uit een werk over de naoorlogse parlementaire geschiedenis.

1965: Het kabinet Cals stelt zich voor in de Trêveszaal. Zittend v.l.n.r. de ministers Samkalden, Luns, Vondeling, Cals, Biesheuvel, Smallenbroek, De Jong. Foto ANP

Interessante vraag bij alle necrologieën die nu verschijnen over de woensdag overleden oud-premier Ruud Lubbers. Worden sterkte-zwakte analyses van kabinetten gemaakt op basis van prestaties of beleving?

In hun onlangs verschenen boek Zeventig jaar zoeken naar het compromis beweren de parlementair historici Joop van den Berg en Bert van den Braak dat de beleving vaak leidend is bij het oordeel. Als voorbeeld noemen zij de kabinetten van Lubbers.

Zijn eerste kabinet leeft in de herinnering als ‘daadkrachtig’, het tweede kabinet staat als ‘sleets’ in het collectief geheugen gegrift, terwijl het derde kabinet Lubbers de geschiedenis is ingegaan als ‘stroperig’. Maar, zo zeggen de historici, dat sleetse tweede kabinet Lubbers heeft wel ingrijpende wetten tot stand gebracht zoals de stelselherziening sociale zekerheid en de grote belastinghervorming. Ook is aan dat kabinet de komst van de commerciële televisie te danken. Het ‘stroperige’ derde kabinet bracht de begrotingstekorten verder terug dan de eerste twee kabinetten Lubbers.

Natuurlijk valt op deze zienswijze ook het nodige af te dingen. Zo profiteerde het derde kabinet Lubbers weer van het voorwerk dat zijn eerdere kabinetten hadden verricht. Maar ze hebben gelijk: wat meer afstand in de tijd kan zorgen voor een genuanceerder en realistischer beeld. Dat is tevens de grote waarde van parlementaire geschiedenis. en dus ook van hun monumentale boek over de naoorlogse kabinetten.

Een boek dat ook nog eens gedocumenteerde duidelijk maakt dat de Nederlandse politiek wordt beheerst door een grote mate van constantheid en daarmee ook door voorspelbaarheid. Dat geldt in het bijzonder voor kabinetsformaties.

Soms zijn tijdrovende omwegen nodig, maar gedreven door de notie dat een compromis moet worden gevonden is er tenslotte altijd weer het akkoord. Het ‘onaanvaardbaar’ klinkt onderweg vaak, maar uiteindelijk is er de ‘onvermijdelijkheid’ die ervoor zorgt dat een aantal partijen elkaar toch weet te vinden om een kabinet te vormen. Sterker nog, het resultaat van de maandenlange onderhandelingen wordt vaak gepresenteerd als ‘het best denkbare’ voor het land.

Deze gang van zaken brengt zekerheid maar ook risico’s met zich mee. De parlementaire democratie neigt hierdoor ‘een kleurloze en weinig overtuigde technocratie’ te worden, constateren Van den Berg en Van den Braak in hun 960 pagina's tellende boek. Niet een boek dat uitnodigt om direct in één ruk uit te lezen. Wel een boek dat zeer toegankelijk – zoveel mogelijk in tijdvakken verdeeld – chronologisch samenvat wat zich sinds de Tweede Wereldoorlog op en rond het Haagse Binnenhof heeft afgespeeld.

Compromis

Het is een beschrijving van zeven decennia, waarin Nederland veranderde van een volgens de auteurs ‘verzuilde en statische maar juist daardoor stabiele en gezagsgetrouwe samenleving’ naar een land met een ‘gefragmenteerd partijlandschap’ met een ‘nieuw en afwijkend politiek spectrum’. De omstandigheden waarin politiek moet worden bedreven zijn compleet veranderd – de koloniën verdwenen, Europa kwam erbij, de oude zuilen zijn weg, om maar eens een paar dingen te noemen – maar telkens was er op het Binnenhof toch weer de ‘schoonheid van het compromis’ zoals Van den Berg en Van den Braak Gandhi citeren.

Het compromis dat mogelijk werd doordat partijen in Nederland altijd weer op tijd wisten mee te bewegen. Omdat samenwerken verkozen werd boven het principe van het eigen onaantastbare gelijk. En dat mag, zie de kabinetsformatie van het afgelopen jaar, best even tijd kosten. We moeten het er maar mee doen, is de boodschap van de twee parlementaire historici. ‘Dat alternatieven voor de representatieve democratie beter zouden zijn valt te betwijfelen’, schrijven zij.

De waarde van een overzichtsboek dat de gehele naoorlogse periode beslaat, is dat de patronen opeens zo duidelijk worden. Dan blijkt het land niet zozeer van kabinet op kabinet te worden geregeerd, maar over langer lopende maatschappelijke episodes die veel bepalender zijn voor het beleid dan de periodiek wisselende samenstelling van de Tweede Kamer suggereert. Het is de continuïteit die de toon zet.

Zoals de jaren zeventig waarvan de eerste helft werd beheerst door het kabinet Den Uyl bestaande uit een meerderheid van progressieve ministers. Het staat nog altijd te boek als het meest linkse kabinet van na de oorlog. Een kabinet dat vooral links was als het ging om maatregelen op korte termijn. Maar op het terrein van wetgeving waarmee de door de progressieve partijen gewenste maatschappij-hervorming kon worden verankerd liet het kabinet het juist afweten.

Toch werden bijna stilletjes allerlei maatregelen genomen op het terrein van milieu, stadsvernieuwing en justitie. ‘De sfeer van polarisatie overschaduwde dat op tal van terreinen oppositie en regeringsfracties geregeld samenwerkten en resultaten boekten’, schrijven Van den Berg en Van den Braak.

Langzaam aan bijsturen. Structurele maatschappij-hervorming kon het onmogelijk nog worden genoemd. ‘Feitelijk waren de jaren 1974-1982 bij uitstek de jaren waarin in toenemende mate de onmaakbaarheid van de samenleving bleek’, is de voor links pijnlijke conclusie in het boek. Verderop wordt duidelijk waar het toe zou leiden. Onder Lubbers en Kok werd van 1982 tot 2002 de liberalisering ingezet. De politiek kende zijn plaats. De complexiteit van de samenleving zowel nationaal als internationaal leidde ertoe dat Den Haag niet meer over alles ging. Het maatschappelijk ideologisch debat maakte plaats voor andere verhalen waarin verschil van mening werd vertaald in begrippen als ruzie en crisis.

Zwakte

En zo is de situatie nog steeds. De kracht van de Nederlandse politiek is tegelijk haar zwakte geworden, schrijven de auteurs. Enerzijds is er het vermogen om in tijden van nood tegenstellingen te overwinnen. Anderzijds leidt dit ter compensatie tot de behoefte aan profilering. Het heeft volgens hen geleid tot ‘weinig opwekkende en beschaafde manieren in het parlementaire debat’ en ‘tot soms onnavolgbare aandacht voor betrekkelijk geringe incidenten’. Tegelijk signaleren zij dat de steun van de Nederlandse bevolking voor de parlementaire democratie ‘nog immer ongebroken is’.

Met het nu verschenen deel is het tweeluik over de parlementaire geschiedenis van Nederland voltooid. In 2014 verscheen deel 1 over de periode 1796-1946, met de in 2011 overleden staatsrecht-geleerde Jan Vis als co-auteur van Van den Berg. In hun verantwoording bij deel 2 zeggen de auteurs dat zij nog heel veel hebben moeten weglaten. Misschien is daarom de slotbeschouwing met viereneenhalve bladzijde zo opmerkelijk kort gehouden. Te kort. Na zoveel vaak gedetailleerde geschiedschrijving hadden de wezenskenmerken van de Nederlandse politiek bezien over een periode van zeventig jaar een steviger epiloog verdiend.