Column

Olympisch politiek theater: goud voor Kim

Geen medailles voor Noord-Korea in Pyeongchang, maar wel een afgetekende overwinning op het enige olympische podium dat telt voor leider Kim Jong-un: de symboolpolitiek. Het uitzenden van zijn mysterieuze zus was een publicitaire meesterzet. Vergeten waren de raketten en gifmoorden, de Noord-Koreaanse leider had een ander geheim wapen – ingetogen charme, haar sproeten besproken op de Zuid-Koreaanse tv.

Donald Trump, ook een familieman, had de media-impact moeten voorzien. Maar Kim speelde zijn tegenstander brutaal uit. De Amerikaanse president zond niet dochter Ivanka maar vicepresident Mike Pence. Die kreeg strikte instructies. Hij mocht de Noord-Koreanen alleen met harde boodschap en buiten camerazicht treffen. Zo zat Pence tijdens de openingsceremonie klem. Bij de binnenkomst van het gemengde Koreaanse team, met sporters uit Zuid én Noord, bleven Pence en zijn echtgenote als enigen in hun vipbox zitten. Een rij erachter zien we het Duitse presidentiële echtpaar Steinmeier wel opstaan en klappen; naast hen, schuin achter Pence, zus Kim Yo-jong. Een onschatbaar tableau vivant. De Zuid-Koreaanse president Moon had graag een handdruk tussen Pence en Kim gezien, maar die stunt zou Noord-Korea bevoordelen, vond Washington: je zou maanden werk hebben de harde lijn te herstellen.

Geen handdruk, dan van plaats veranderen, zou je denken. Maar zonder Pence zou de Koreaanse eenheid nog sterker uitkomen. De Amerikaan moest dus in beeld blijven. Strak voor me uitkijken, strak voor me uitkijken, zag je hem denken. Hij vergat dat tussen volle handdruk en compleet negeren een repertoire ligt van blik, hoofdknik, frons, handbeweging.

De stuursheid van Mike Pence toont het Amerikaanse onvermogen het eigen verleden in het gezicht te zien. Het is makkelijk je tegenstanders als gekken of slechteriken af te doen, hun bevolking als gemanipuleerd. De Noord-Koreanen leven onder een afschuwelijk regime, dat lijdt geen twijfel. Maar kunnen ze toch redenen hebben de Amerikaanse definitie van de werkelijkheid te verwerpen?

Historicus en Koreaspecialist Bruce Cumings herinnerde er vorig jaar aan in een essay voor de London Review of Books. Van 1910 tot 1945 was Korea een kolonie van het Japanse keizerrijk, een schrikbewind. De grootvader van Kim Jong-un was de leider van het nationale verzet; aan die heldenrol – een Aziatische Churchill of De Gaulle – ontleende hij het gezag waarop zijn familie nog teert. Na de Japanse capitulatie in 1945 verdeelden Russen en Amerikanen het Koreaanse schiereiland, een idee uit Amerikaanse koker. De Sovjets maakten hun deel communistisch, of de bevolking wilde of niet.

De Amerikanen handelden weinig minder tactloos: ze herstelden koloniale structuren en gaven sleutelfuncties aan officieren die in het Japanse leger hadden gevochten. Cumings noemt het Zuiden „een van de bloedigste dictaturen uit de vroege Koude Oorlog”; volgens hem stierven in Zuid-Korea al voor de Koreaoorlog (1950-’53) zeker 100.000 mensen door geweld van de staat of de Amerikaanse bezetter. Nog in 1961 en 1980 vonden staatsgrepen plaats waarbij de VS, ondanks hun controle over het leger, niet ingrepen.

Zuid-Korea’s democratische en economische succesverhaal begint pas in 1988 – het jaar van de Zomerspelen in Seoul. Tot die tijd kon het Noorden claimen dat de dictatuur een antwoord was op het militaire regime in het Zuiden. In de aanloop naar ‘Seoul’ bliezen de Noord-Koreanen een Zuid-Koreaans lijnvliegtuig op (115 doden). Ook het grote sportfeest van het WK voetbal in 2002 in Zuid-Korea en Japan werd door Pyongyang met geweld verstoord.

Dan liever het charmeoffensief, versie 2018. En hopen dat de Amerikanen in staat zijn zich om te draaien en de ander te erkennen – voor een gesprek.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve).