Recensie

Meegesleept in een aanrandingstafereel

Elvis Peeters

In een kale monoloog komt een puberende migrant aan het woord die zich misdraagt.

Tekening Paul van der Steen

Ooit, of wie weet is het al lang gebeurd, zal er een fanatieke student Nederlands afstuderen op de beantwoording van de vraag wie wat schreef in de romans van Elvis Peeters. Want Elvis Peeters bestaat niet echt, hij is opgetrokken uit het Vlaamse schrijvende echtpaar Jos Verlooy en Nicole van Bael. Dat gaat er minder symbiotisch aan toe dan u wellicht zal vermoeden. In het schrijfproces, zo leerde een interview, lossen de twee elkaar af. Nadat A de verhaallijn weer een eindje voortgestuwd heeft, gaat B verder. De boeken ontstaan dus met, maar zeer zeker ook zonder elkaar.

Ook het oeuvre van Peeters kent twee gezichten. Het een is wat we hier maar even de fantastische variant moeten noemen, een lijn waar bijvoorbeeld Jacht (2015) in valt te plaatsen, de buitengewoon geslaagde roman waarin een stem werd gegeven aan een stoet dieren. De verliefde rottweiler, het tobberige paard, de geslepen vos en de soevereine hertenbok; ze spiegelden direct of indirect de kneusjes van mensen door wie ze omringd werden.

Menselijke zeden

De mens staat er überhaupt niet al te best op bij Peeters, waarmee we meteen al zijn aanbeland bij die andere lijn in het werk, namelijk die van de moraalkritiek. Dinsdag (2012, over een ouderling met een kwalijk verleden), het gure Wij (2009, over jongeren met een kwalijk heden) en De ontelbaren (2005), dat met de kennis van nu valt te typeren als de voorafschaduwing van een kwalijke nabije toekomst: ze zijn allen in meer of mindere mate verkenningen van de vaak twijfelachtige menselijke zeden.

Het net verschenen Brood past in die laatste lijn. De groteske verbeelding van Jacht treffen we er niet in aan, het is een kale, feitelijke monoloog die gevoed wordt door dezelfde voedingsstof als De ontelbaren, namelijk die van de (Afrikaanse) massa-immigratie naar het Europese continent. Aan het woord is een puberende jongen die niet weet hoe oud hij precies is. Het gezin waar hij deel van uitmaakt komt onder druk te staan door schermutselingen in de buurt. Er wordt iemand zijn huis uit gehaald, er vallen bommen, er wordt een controlepost opgesteld tussen aanpalende dorpen.

Wat Peeters altijd al goed doet, en wat in dit geval ook weer overtuigend gebeurt, is laten zien hoe moeilijk het is om onder benarde omstandigheden de juiste keuze te maken. Moet je bij het vallen van de eerste bom meteen vertrekken en alles achterlaten wat je hebt opgebouwd en wat je lief is? Je roept het ze ondanks alles toe, maar ze doen het niet.

Druppelsgewijs valt het gezin uiteen. Eerst vertrekken de vrouwen, daarna de rest; alleen een stuurse, verliefde broer blijft achter. Omdat het geld ook in het vluchtelingencircuit regeert, ziet de verteller zich genoodzaakt om het laatste deel van de reis naar Europa alleen af te leggen. Het afscheid van de vader had bij sommige schrijvers waarschijnlijk geleid tot taferelen om bij of om te janken, maar Peeters schrijft simpelweg niet zo. Bij hem (laten we hem maar even hem noemen) gaat er op zeker moment een kei door een ruit, waarna de resterende glasscherven onvermijdelijk maar hoogst proper uit de sponningen vallen. Je hebt wel meer schrijvers die niet hinten op een binnenwereld van hun personages, maar Peeters houdt het wel erg klinisch.

Niet helemaal uit vrije wil

Maar als dat blijkbaar het doel niet is, het laten zien van de gevolgen van zo’n drama, wat dan wel? Hiermee belanden we bij de ware hobbel in het traject van Brood, namelijk de verwarde deelname van de jongen aan een aanrandings- slash berovingstafereel dat onmiskenbare overeenkomsten vertoont met de gebeurtenissen in de Keulse Oudejaarsnacht in 2015. Een initiator is de jongen, die daarna in de illegaliteit verdwijnt, niet. Hij laat zich als het ware door omstanders aanmoedigen om eraan mee te doen. Met een beetje literaire verbeelding resoneert hierin de daad van Meursault in Camus’ De vreemdeling, die immers ook niet helemaal uit vrije wil iets naars beging.

Natuurlijk, zo kan het gaan, denk je dan, al is het (a) wel een merkwaardige greep en (b) ben je ook meteen heel benieuwd hoe men in kringen van rechtse snit op de betreffende passage reageert, want iets van het geforceerd zoeken naar een excuus heeft het wel.

Toch zijn het niet die – veronderstelde – goede bedoelingen die Brood een beetje doen tegenvallen. Ik werd toch vooral te weinig verrast, door zowel de vaak nogal onaangedane beleving van de jongen als de voorspelbare, chronologische vertelvorm. En daarnaast: waarom onderneemt die jongen toch geen enkele poging om het contact met zijn zoekgeraakte familieleden te herstellen? Dat is toch niet per definitie een onmogelijkheid voor een illegale vluchteling? Curieus, helemaal omdat de jongen in zijn verbeelding wél naar ze verlangt. Het versterkt de indruk dat Peeters niet altijd even goed wist wat hij met deze jongen aan moest.

    • Sebastiaan Kort