Recensie

Je huid juicht onder ijskoude vonken

Herien Wensink

Debuutroman Kleihuid is een ode aan de grote Eerste Wereldoorlogromans. Wensink schrijft smeuïg en zintuiglijk over twee gewonde soldaten.

Jongens waren het, aardige, Britse jongens. Soldaat Harvey Cole, boerenzoon, en de hoger geboren luitenant Rupert Atkins, beeldend kunstenaar, belandden in een Vlaamse loopgraaf, in 1917. Ze verloren er beiden hun hoofd. De ene haast letterlijk, de andere figuurlijk. Cole is des duivels vanbuiten: hij heeft een verwoest gezicht opgelopen. Atkins worstelt met demonen vanbinnen, die hem geregeld in hevig beven doen uitbarsten. Beiden belandden in revalidatieoord Sonnehaert, op een en dezelfde kamer, te Krombeke.

Dit is het verhaal van Kleihuid, de eerste roman van Herien Wensink (1977), theaterredacteur bij de Volkskrant. En wauw, wat kan die Wensink schrijven. Beeldend, ja, bepaald smeuïg is haar proza, ook waar die smeuïgheid nauwelijks te verdragen is, zoals in de beschrijving van een dode hand die uit een koude wal van modder steekt. De blubber in de loopgraaf ‘zuigt’, ‘vreet’ en ‘verkilt’. Het water staat er de mannen aan de lippen (of is het bloed?); het ijs zit in hun baard.

Wensink schreef een stoer, maar toch ook fijngevoelig boek, door haar zelf in de verantwoording een ‘ode aan de grote Eerste Wereldoorlogromans’ genoemd. Kleihuid is gebaseerd op een werkelijke ontmoeting van Siegfried Sassoon met een andere dichter, Wilfred Owen, in een Schotse kliniek waar het fictieve Sonnehaert veel van weg kreeg. In alternerende hoofdstukken beschrijft Wensink hoe de mannen (iets) beter worden, hoe ze opnieuw houvast vinden, bij de ander en uiteindelijk in zichzelf. Grote woorden worden hierbij niet geschuwd, maar sentimenteel wordt het nooit. Ontroerend – en danig onthutsend – wél.

Cole’s hoofd zit voor het grootste deel in het verband. Door één oog ontwaart hij nog iets van de wereld, maar er zijn acht operaties nodig om hem weer enigszins toonbaar te maken. Elke dag worden de windselen om zijn hoofd ververst: ‘die kou op zijn blote, hete hoofd, alsof hij opnieuw met zijn zwetende lijf de plomp bij boer Manfield in sprong [...] op de heetste dagen na het oogsten. Even dacht je dat je uit elkaar zou barsten, maar meteen begon je huid te juichen onder duizend ijskoude vonken.’ Zo zintuiglijk schrijft Wensink. Soms is een passage zelfs onverwacht opwindend, zoals wanneer de zuster Cole een hitsig handje helpt onder de lakens. Ze trekt hem terug het leven in.

Subtiel wordt het verschil duidelijk tussen de jongens. Atkins, de kunstenaar, kan er niet over uit hoe licht en geurig het buiten is; Cole heeft geen neus meer, maar rook vroeger, nog mét neus, ook niets. Wie op het land werkt, heeft geen tijd om aan blaadjes te snuffelen. Het zijn twee uiteenlopende karakters. Cole heeft eerder vrede met zijn lot. Uiteindelijk is hij veel minder onzeker dan Atkins. Hij verstopt zijn kop gewoon onder een damessjaal en bezoekt een bordeel. Zijn knappe vriend beeft al hysterisch als er een vrachtauto langsrijdt.

Ze komen uit twee heel verschillende werelden, maar blijken toch iets gemeen te hebben. Beiden vormen een teleurstelling voor hun vader. Ze zijn niet hard, niet stoer, niet mannelijk genoeg. Zonder dat de personages dit tegen elkaar uitspreken, weet Wensink duidelijk te maken dat ze elkaar dankzij dit feilen vinden. Uiteindelijk kan geen van beiden naar huis, en krijgt de verwantschap die tussen de mannen in de geest bestond, een onverwachte, goed gevonden wending.

    • Judith Eiselin