Column

‘Ik wil nu zelf kapot’

Onlangs stuitte ik op een van de woedendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Ik was er niet op bedacht, want ik zocht naar iets anders toen ik bladerde in deel 3 van de door Victor van Vriesland in 1969 samengestelde bloemlezing Spiegel van de Nederlandse poëzie. Daar stond het onder de krachtige titel ‘Vod’. Door J.C. van Schagen.

‘Ik hoefde maar weinig/ Ik vroeg niet dan alleen te zijn/ Met mijn werk./ Ik zou mijn werk goed doen.

Maar het mocht niet./ Niets mocht van wat mij lief was./ Niets mocht van wat ik had kunnen doen./ Niets mocht van waar ik voor geroepen werd.

Wat ik haatte,/ Dat moest ik doen./ Wat niet kon,/ Dat moest ik volbrengen./ Waar ik niet ademen kon,/ Daar werd ik gebracht./ Wat mij lief had en deemoedig naar me tastte,/ Wat, zoo hulpeloos en pijnlijk, naar me zocht,/ Dat werd afgestooten.

Nu is, wat zuiver was, vervuild./ Nu is, wat jong was. Verdord./ Nu is, wat gaaf en heerlijk was, voorgoed gebroken,/ Wat lief was is nu ziek en overdekt met wonden.

Ik ben valsch geworden/ Ik wil pijn doen./ Ik wil verminken./ Ik ben als een mishandelde hond./ Ik wil breken wat stikt en hindert./ Ik wil nu zelf kapot.

Soms is ook dit al weg./Het is eigenlijk niet de moeite waard te haten./ Het is niet de moeite waard mezelf te dooden./ God ruimt den rommel wel eens op.

Soms is er niets meer dan grauwe asch/ En een verlamming.’

Ik vind het een aangrijpend, beklemmend gedicht dat door zijn directheid eerder in onze tijd lijkt geschreven dan in 1946, toen Van Schagen het opnam in zijn bundel Onderaardsch. Juist van Van Schagen had ik zo’n gedicht niet verwacht, omdat zijn latere werk eerder een flegmatieke, peinzende indruk achterlaat. Hij hield van Spinoza, Lao Tse, Elsschot en Nescio. Hij werd ook wel een ‘zachtzinnig anarchist’ genoemd. Wat had hem tot ‘Vod’ geïnspireerd? Sprak hij namens zichzelf of vanuit het gezichtspunt van een fictieve persoon?

Ik kocht antiquarisch Onderaardsch en zag dat die bundel meer stekelige regels bevat. Ik had zijn opstandigheid onderschat. Een mooie, Lieve Vrouw, een prettig dochtertje,/ Etiket „het gelukkig huwelijk”, je ziet ze altijd samen./ Maar daaronder een snikken dat, niemand hoort -.

Over de mens Van Schagen (1891 – 1985) is niet zo veel bekend. HBS-diploma in Middelburg, aldaar bankbediende en griffie-ambtenaar, student, meester in de rechten, ambtenaar in Den Haag en Rotterdam, daarna kunstenaar. Als regeringsambtenaar in Den Haag had hij het omstreeks 1920 moeilijk, schreef hij in Narrenwijsheid. „De baan zoog ten slotte alle krachten weg en liep uit op een zes maanden ziekteverlof op de Veluwe.” Misschien is daar de kiem gelegd voor de bittere regels van ‘Vod’.