Socioloog Jolande Withuis: „Als communist dacht je bij een roman automatisch: ‘dit is burgerlijke literatuur, want het gaat over individuele gevoelens’.”

Foto Keke Keukelaar

‘Het is altijd oorlog. Feind hört mit.’

Jolande Withuis Socioloog Jolande Withuis schreef een boek over haar communistische vader, om te laten zien wat een ideologie met een aardige man kan doen.

Het moet eind jaren zestig zijn geweest. Berry Withuis – communist en schaakjournalist – zat in de auto met schakers Hein Donner en Hans Ree, onderweg naar een schaaktoernooi. Aardige kerel, die Withuis. Sympathiek en belangstellend. Totdat het over politiek ging. Als hij en zijn politieke vrienden ooit aan de macht zouden komen, zei Withuis, dan zouden „vrij zwevende intellectuelen” als Donner en Ree tot zijn spijt als eersten tegen de muur moeten.

Vervelend, en iets waar hij zich als vriend bepaald niet op verheugde. Maar dat was nou eenmaal zijn harde plicht als communist. „Hans Ree zei mij later: het was misschien een beetje een grapje, maar zeker niet helemaal.” Dat zijn de twee gezichten van haar vader waar Jolande Withuis zich nog altijd over verwondert: aardig en aimabel op de schaakclub, maar geharnast als het over ideologie en politiek ging.

Haar vader overleed in 2009. Ze was er eigenlijk verbaasd over wat voor klap dat voor haar was. Hij was 89 geworden, had totaal niet geleden. En een steunpilaar voor haar dagelijks leven was hij ook allerminst geweest. „Ik bleef met zoveel vragen zitten. Hoe keek hij terug op zijn leven, op zijn politieke geloof? Dat was nooit onderwerp van gesprek geweest. Opeens besefte ik dat ik daar nu nooit meer antwoord op zou krijgen.”

De gewone dingen van het leven heb ik later moeten bijspijkeren.

Withuis (68) besloot alsnog dingen te gaan uitzoeken. In Raadselvader doet ze nauwgezet verslag van die zoektocht. Om te beginnen vroeg ze het BVD-dossier over haar vader op. Zelf had hij daar nooit interesse voor gehad. „Hij was geen terugkijker.” En hoewel ze opgevoed was met het besef „de BVD kijkt met ons mee” was ze toch verbaasd over hoe gedetailleerd hun leven al die jaren in kaart bleek te zijn gebracht. „Ze wisten exact welke bladen we lazen, en welke abonnementen we hadden. Ik was er eigenlijk wel blij mee. Ik las heel precies: in dat jaar ging Withuis daarheen, en in dat jaar daarheen. Zo kon ik alsnog zijn spoor terugvinden.”

Haar vader was van oorsprong gereformeerd. In de oorlog werd hij lid van de communistische partij. Tewerkgesteld in Duitsland, wist hij te ontsnappen en maakte hij vervolgens in het verzet de zware bombardementen van de geallieerden op Bochum mee. Na de oorlog ging hij als journalist werken voor de Communistische krant de Waarheid. Hij doordrong haar en haar broer van jongsaf aan van wrange levenslessen. „Zorg dat je in een café altijd met je gezicht naar de ingang gaat zitten en een tweede uitgang weet. Dan zie je wie er binnenkomt, kun je altijd wegkomen en kunnen ze je niet onverhoeds in je rug schieten.”

Withuis: „Dat hield hij ons met regelmaat voor. Het was een van de weinige levenslessen die ik meekreeg. De gewone dingen van het leven heb ik later moeten bijspijkeren. Dat je met je buitenste bestek moet beginnen wist ik niet, maar dat sjekkies roken en water drinken helpt tegen de honger, dat leerde ik als kind wel.”

Hij stond permanent in de alertstand?

„Altijd. Het is altijd oorlog. Feind hört mit. Op de lagere school mocht ik beslist niet vertellen dat mijn vader bij De Waarheid werkte. En dat vráágt een schoolmeester natuurlijk: ‘en wat doet jouw vader, Jolande?’ Op zulke momenten moest ik echt krampachtig standhouden.”

U zat een beetje in het kinderverzet?

„Zo was het eigenlijk wel, ja. In de jaren vijftig werden communisten beschouwd als ‘de vijand’. Ik was een jaar of vijf toen ik op straat een groot gat in mijn hoofd viel. Ik ben met mijn hand op die wond naar huis gehold. Het kwam niet in mij op om een van de moeders op straat om hulp te vragen. Het besef ‘wij horen er niet bij’ zat er al heel jong in. Dat vind ik belangrijk aan dit boek: het gaat er helemaal niet om dat de communisten zielig waren. Ik snap heel goed dat ze gevaarlijk werden gevonden. Dat wáren ze ook. Als je de machtsgreep in Tsjechoslowakije steunt en later die in Hongarije, dan is het helemaal niet raar dat de democratische overheid denkt: ‘die moeten we scherp in de gaten houden’. Mijn boodschap is niet: ‘het is een schande want het was náár voor die mensen’. Maar het wás wel naar voor die mensen.”

En naar voor u?

„Zeker.”

Wierp het een schaduw over uw jeugd?

„Het heeft me heel angstig gemaakt. Uiteindelijk heb ik enorm last van paniekstoornissen gekregen. Door mijn huisarts werd ik als twintiger zelfs doorverwezen naar een psychiater. Terwijl ik er heilig van overtuigd was dat het niets met mijn jeugd te maken kon hebben. Wat hadden mijn ouders niet hun best voor mij gedaan? Ik mocht zelfs naar het gymnasium, dan ben je heel bevoorrecht. Maar er was altijd een gevoel van onveiligheid, een enorm gebrek aan warmte en intimiteit.”

Uw vader nam u als klein meisje ooit mee naar een schaaktoernooi. Na afloop vergat hij u mee te nemen naar huis. Daar kwam hij thuis pas achter.

„Ik herinner me er vooral van dat ik in een lege zaal zat en een glaasje prik kreeg. Dat vond ik geweldig. Mijn vader vond het zelf een heel leuk verhaal. Het was een van zijn favoriete anekdotes. Het paste geheel in zijn wereldbeeld; hij had wel wat beters aan zijn hoofd.

„Voor mij is Raadselvader een verhaal over vrijheid en afvalligheid. Met als crux: val vooral van onderdrukkende geloven af. Laat dat soort geloven niet als een scherm tussen jou en de wereld staan. Denk voor jezelf. Want ik zag vroeger zelf alles door zo’n scherm: hoe hoor ik dit te zien? Daardoor heb ik weinig opgestoken op het gymnasium. Als wij Animal Farm lazen, dan dacht ik: dit gaat over ons. Als wij Couperus lazen, hóórde ik mijn vader zeggen dat dat koloniale literatuur was. Alles ging door een ideologisch filter. Ik keek naar de wereld zoals mijn vader me geleerd had om te kijken.”

Op zo’n moment zei mijn vader dus niet: ‘hup, weg jij… je loopt de hele boel in de war te schoppen’.

Terwijl Berry Withuis in de schaakwereld een geliefde man was. „Daar liet hij zijn aardige kanten zien.” Ze werd onlangs nog getroffen door een stukje van journalist Paul Arnoldussen – „ook een voormalig communist” – die een anekdote memoreerde over Berry Withuis als perschef tijdens het Hoogovens-schaaktoernooi.

„Daar maakte mijn vader een schaakbulletin. Arnoldussen beschreef dat er stapels stencils klaar lagen die aan elkaar geniet moesten worden. Godfried Bomans was blijkbaar ook behulpzaam bij het nieten. Alleen was hij daar veel te onhandig voor. Op zo’n moment zei mijn vader dus niet: ‘hup, weg jij… je loopt de hele boel in de war te schoppen’. Nee, hij huurde twee vrijwilligers in: één om de verkeerde nietjes van Bomans eruit te pulken en een ander om ze er alsnog goed in te nieten. Ontzettend lief natuurlijk. En als je mij nou had gevraagd: ‘Hoe dacht jouw vader over Bomans?’, dan zou ik gezegd hebben: ‘als een vervelende reactionaire katholiek’. Terwijl mijn vader juist heel vriendelijk met hem omging.”

Wie was dan uiteindelijk de ware Berry Withuis?

„Met de ware Berry is van alles gebeurd. Zijn vader is heel jong gestorven. Dat was voor hem een ongelofelijke klap. Daarna kwam de oorlog en vervolgens de Koude Oorlog. Het beginsel van totalitaire ideologieën is dat jij je primitieve sympathieën en gevoelens voor je naasten de baas moet worden. De lakmoesproef voor een goede communist lijkt op de lakmoesproef voor een extremistische moslim: ‘ben je uiteindelijk bereid om te doden voor het hogere doel?’ Het gaat eerst en vooral om de goede zaak. En juist die goede zaak kan van goede mensen onmensen maken.”

Huiverend: „Ik ben zo blij dat het nooit getest is. Dat mijn vader nooit voor die beslissing is komen te staan.”

U had uw hand niet voor hem in het vuur gestoken?

Met een diepe zucht: „Dat vind ik zo’n erge vraag…. Ik wéét het gewoon niet. Ik weet alleen dat meer communistenkinderen met die vraag worstelen.”

Vraagt u zich dan ook af: wat zou hij met mij gedaan hebben als het erom spande?

„Ja. En ook daar heb ik geen echt antwoord op. Je hebt in de jaren vijftig in Amerika het proces tegen Julius en Ethel Rosenberg gehad [een echtpaar dat beschuldigd werd van spionage voor de Russen, red.]. Ze zijn uiteindelijk allebei op de elektrische stoel ter dood gebracht, omdat ze weigerden te bekennen. Terwijl ze heel jonge kinderen hadden. Later bleek ook nog ‘ns dat Ethel waarschijnlijk echt van niets wist. Dat je je vrouw meesleept in de dood en je kinderen verweesd achterlaat, allemaal voor het grote doel, dat is een absolute gruweldaad. En toch, tot mijn twintigste heb ik dat de normale gang van zaken gevonden. Dat geeft geen fijn gevoel. Maar wél een heel hoogstaand gevoel. Je voelde je enorm superieur.”

Ik had het zo graag eerder gehoord. Dat communisme was zo intens, zo heftig.

„De communisten kregen het zwaar voor hun kiezen, maar ze hielden het vol omdat zij toch de betere mensen waren, in hun eigen ogen. In de Koude Oorlog was echt alles ideologie. Daardoor ben ik later zo overgevoelig geworden voor totalitaire systemen. Want daarbij gaat het om wereldbeelden die ook je persoonlijk leven gaan domineren. Bij een roman dacht je automatisch: ‘dit is burgerlijke literatuur, want het gaat over individuele gevoelens’. En je zou wel gek zijn om naar een museum te gaan. Want van ‘kunst om de kunst’ hielden we niet. Kunst moet altijd een boodschap hebben. En ziekte is zwakte. Je moet altijd strijdbaar zijn.”

Hield uw vader wel van u?

„Daar ben ik van overtuigd. In 1990 ben ik gepromoveerd op een proefschrift dat veel stof deed opwaaien. [Ze schreef onder meer over de verkrachting van gevangenen uit het concentratiekamp Ravensbrück door soldaten van het Rode Leger, red.] In De Waarheid werd er heel veel modder over mij uitgestort. Mijn vader zei tegen mij alleen maar dat hij wel kon zien dat het veel werk was geweest. Ik heb pas na zijn dood van mijn moeder gehoord hoe hij mijn proefschrift heeft verdedigd. Mijn moeder vertelde dat de oude professor Wertheim – ook een schaker – tegen hem had gezegd: ‘wat naar als je eigen dochter zo’n rotboek schrijft’. Waarop mijn vader reageerde met: ‘als mijn dochter dat schrijft zal ze dat ook echt wel goed hebben uitgezocht’.”

Hoe komt het dat die herinnering u nu ontroert?

„Ik had het zo graag eerder gehoord. Dat communisme was zo intens, zo heftig. Het gevoel van miskenning na de oorlog, die gedachte van ‘wij worden vervolgd’. En dat dat dus ook tot misverstanden tussen ouders en kinderen leidt.”

Het doet een beetje denken aan de buitensluiting die NSB-kinderen hebben ervaren.

„Vind ik niet. Die zijn vaak juist geneigd om zich als slachtoffers van de wereld te zien. Dat is nu juist wat ik niét wil. De wereld stootte ons uit, maar dat kwam wel door de keuze die mijn ouders in alle vrijheid zelf gemaakt hadden.”

Hoe stelde uw moeder zich op?

„Die hield zich afzijdig. Al was ze het wel met mijn vader eens. Het liep bij haar heel erg via het afkeuren van de tuttigheid van tantes of buren. Die hadden blijkbaar niks beters aan hun hoofd. Dat hadden wij natuurlijk wel. Daar was ik mij voortdurend van bewust: wij waren geen gewone mensen.”

Jullie stonden bóven andere mensen?

„Vooral ook buíten andere mensen. Buiten de gewone wereld. Wij deden niet aan gewone dingen; verjaardagen vierden we niet, een huwelijksdag vierden we niet. Ik heb mijn ouders elkaar nooit een kus zien geven. Wij deden niet aan dat soort ‘goedkope sentimenten’. Terwijl ik er als kind van genóót om bij de familie van mijn vader op bezoek te zijn. Ik had het daar altijd leuk. Ze namen me als kind weleens op schoot. Dat vond ik verrukkelijk. Terwijl ze in onze ogen toch een beetje dommige mensen waren, die spelletjes speelden en Kerst vierden.”

Neemt u uw vader dingen kwalijk?

„Nee, niet echt. Hij heeft natuurlijk nooit gewild dat ik trillend van angst in de tram zou zitten, omdat er een conducteur aankwam. Die diepe angst, omdat je met argwaan naar de wereld kijkt, die heeft hij wel gecreëerd maar nooit bedoéld. Ik heb later geleerd om dat onderscheid te maken.”

De laatste tien jaar van zijn leven trad ook bij Berry Withuis de dooi langzaamaan in. Zijn dochter is blij dat ze dat nog meemaakte. „Toen hij tachtig was vond hij het echt leuk als ik langskwam. Dan legde hij de krant weg en maakte hij zowaar een praatje. En er kwam zelfs een beetje zelfspot in hem naar boven. ‘Hier zit de bolsjewiek die leeft als een rentenier.’ Terwijl hij maar alleen z’n AOW had. ”

Hoe kwam u zelf uiteindelijk van dat beklemmende gevoel uit uw opvoeding los?

„Dat was heel moeilijk. Ik heb er een lange psychoanalyse voor nodig gehad. Heel langzaam boekte ik overwinningen op mezelf; voor het eerst naar een museum gaan, dat was echt ongekend. Sinds ik van die dogma’s ben bevrijd voel ik de noodzaak om me ertegen uit te spreken. Ik stoor me heel erg aan die linkse superioriteit en gutmensch-erigheid.”

„Wat ik echt verschrikkelijk vind zijn de hedendaagse antifascisten en antiracisten. Het moderne verzet. Het gaat me nog niet eens om hun standpunten maar om die potsierlijke zelfvergroting. Die morele superioriteit lijkt echt sprekend op hoe ik ben opgegroeid. Daarom is dit boek ook niet bedoeld als het zoveelste boek over ouders en kinderen. Het heeft voor mij vooral een politieke lading: het gaat over wat een ideologie met een aardige man als mijn vader kan doen.”

Correctie (23 februari 2018): Door een misverstand werd in een eerdere versie van dit interview de indruk gewekt dat de CPN de communistische machtsgrepen in Hongarije (1956) en Tsjechoslowakije (1968) zou hebben gesteund. Bedoeld werd echter de machtsgreep in Tsjechoslowakije in 1948. De CPN distantieerde zich van het Sovjet-ingrijpen tijdens de Praagse lente van 1968.

    • Coen Verbraak