Recensie

Het heimelijke en huiselijke van de rijke Rausings

Sigrid Rausing

De Zweeds-Britse uitgever schreef een memoir over de fatale drugsverslaving van haar rijke broer en diens vrouw.

Hans Rausing, gefotografeerd terwijl hij in juli 2012 per auto naar de rechtbank wordt vervoerd na de dood van zijn vrouw. Foto EPA / FACUNDO ARRIZABALAGA

Alle welgestelde gezinnen zijn ongelukkig op hun eigen, enigszins zelfdestructieve wijze. Dat is tenminste het beeld dat beklijft na het lezen van Maalstroom van Sigrid Rausing, een memoir over de drugsverslaving van haar broer en de wanhoop van haar familie. Het aangeharkte grind, de opgepoetste auto’s, en de gevoelde noodzaak om met een fles Hennessy of wat opium of heroïne een randje te geven aan dat veel te vanzelfsprekende bestaan, doen denken aan die andere ongelukkige families uit de Engelse literatuur, de Marchmains van Evelyn Waugh en de Melroses in Edward St Aubyns vijfdelige serie.

Nu dus Rausing over de Rausings. De familie Rausing is erfgenaam van het Zweedse Tetra Pak-imperium, van de melkpakken. In de jaren tachtig raakt de broer van de auteur, Hans Kristian, verslaafd tijdens een reis naar Goa. Na ettelijke mislukte afkickpogingen ontmoet hij in een kliniek zijn aanstaande vrouw, Eva. Rausing introduceert haar nieuwe schoonzuster, ook ternauwernood clean, als volgt: ‘Ze was blond, mager en wat gereserveerd, ze droeg een roze mantelpakje van Chanel en leunde achterover op de leren bank. Ze zag er tegelijkertijd jong en oud uit, saai en wild, goedverzorgd en slordig.’ Tegelijkertijd alles voor mekaar, en toch een baksteen door een ruit willen keilen.

Sigrid Rausing (1962) is uitgever en eigenaar van Granta Magazine. In Maalstroom beschrijft ze hoe haar broer en zijn vrouw na een jaar of tien gelukkig huwelijk tijdens de millenniumwisseling een slok en een shot nemen en terugvallen in hun oude gebruikspatronen. De benedenverdieping van hun huis in Chelsea bestaat uit behaaglijke kamers, de kinderen zijn in handen van nanny’s. In de slaapkamer van Hans Kristian en Eva, schrijft Rausing, is de deur altijd op slot, gaan de gordijnen nooit open en liggen tussen de lakens en de etensresten naalden, staalwol en zakjes vol poeders en pillen. In 2012 wordt het ontbindende lichaam van Eva aangetroffen onder een berg kleren in die kamer. Dood door overdosis, verstopt en achtergelaten door een verwarde echtgenoot.

Lotgenoot te worden gemaakt van dit drama voelt al gauw als een voyeuristische exercitie. Dat ís het ook, want de Britse tabloids hebben uitgebreid verslag gedaan van de geestelijke en lichamelijke aftakeling van Eva en Hans Kristian. Rausing wil, schrijft ze, het alternatieve verhaal vertellen, een verhaal dat dat van de roddelpers kan vervangen. ‘Als je zelf je verhalen niet vertelt, dan zullen anderen ze vertellen, en ze zullen je vulgariseren en vernederen’, citeert Rausing toneelschrijver George Bernard Shaw. Ze beseft ook dat haar verhaal van dien aard is dat het amper buiten het melodramatische om kan worden verteld, dus schrijft ze gefragmenteerd. Jeugdherinneringen, essayistische terzijdes over herinnering of verslavingszorg en zakelijke opsommingen van het gebruikte wisselen elkaar af.

Rausing schrijft óók om te begrijpen, al geeft ze grif toe dat dat niet zal lukken. De oorspronkelijke titel van het boek is Mayhem; chaos, maar ook een juridische term voor verminking. ‘Allemaal waren we schuldig, en geen van ons was schuldig.’

Freud

Een paar bladzijden wijdt Rausing aan Freuds essay ‘Das Unheimliche’ (1919), over de etymologie van het woord: het heimliche is het geheime, maar echoot ook het huiselijke en het vertrouwde. Het unheimliche is het al te bekende in een nieuwe gedaante, het angstaanjagend vertrouwde. Rausing: ‘Freud begreep dat vreemde verband tussen huiselijkheid en geheimzinnigheid, het huiselijke en het verschrikkelijke.’ Voor Sigrid Rausing, zo maak je op uit het boek, was het heimelijke en het huiselijke een gegeven, wolkeloos, onwankelbaar, tot het zich ontpopte als beginpunt van een collectieve lijdensweg.

Maalstroom is geen afgerond boek. Rausing zoekt naar verklaringen die ze niet krijgt, de vragen die ze stelt en onderzoekt blijven veelal onbeantwoord. De passages waarin Rausing probeert voortekenen te ontwaren in onbenullige gebeurtenissen zijn soms vergezocht. Dat realiseert Rausing zich, blijkt uit haar aarzelende, soms doodlopende zinnen. Maar dat mislukken maakt het boek ook pijnlijk integer. Hoe je het verhaal ook wendt of keert, vertelt en hervertelt: het waarom blijft nadrukkelijk uit.

    • Nynke van Verschuer