Recensie

Een huis als een literair universum

In de zeven onlangs vertaalde verhalen van deze Iers-Amerikaanse schrijfster draait alles behalve om spanning en desillusie, ook om geborgenheid. Het levert grootse en magische literatuur op, vol samengebalde energie.

Soms lees je iets waardoor al die goede boeken die je de laatste tijd las opeens iets van hun glans kwijtraken. Ja, ze waren best goed, maar nu weet je opeens weer écht wat literatuur kan zijn. En dan hoeft het niet te gaan om spectaculaire vondsten of grote gebaren. Het kan heel goed gaan om verhalen die zich afspelen in een alledaagse omgeving. Zoals de verhalen van de Iers-Amerikaanse schrijfster Maeve Brennan.

Zeven verhalen van de in Ierland geboren Brennan (1917-1993) zijn nu onder de titel De twaalfjarige bruiloft vertaald. Alle gaan over Delia en Martin Bagot, die met hun twee dochters in Ranelagh wonen, een voorstadje van Dublin. Martin werkt in de stad en maakt daar lange uren, Delia is gebonden aan het huis en de kleine voor- en achtertuin.

Dat huis staat in een straat met woningen voor de lagere middenklasse en wordt uitgebreid beschreven; je krijgt de indruk dat je na lezing van deze verhalen in staat bent een maquette van dat huis te maken, inclusief meubels en aankleding, en alles in de juiste kleuren. Het huis is meer dan een decor, het is een personage op zich, en niet het onbelangrijkste. Het is een besloten wereld die zowel veiligheid biedt als spanning oproept, juist door die beslotenheid.

Er zit veel spanning in deze verhalen. ‘Ze voelde zich voortdurend angstig,’ wordt meteen al in het eerste verhaal over Delia vermeld, ‘alsof er iets verschrikkelijks kon gebeuren, alsof ze iets verschrikkelijks had gedaan en ze door de mand zou vallen.’

Het verhaal speelt op de dag dat Delia en Martin twaalf jaar getrouwd zijn; het huwelijk is niet erg gelukkig meer. Ooit is Martin in de ‘kleine extra kamer’ aan de achterkant van het huis gaan slapen, zogenaamd om niemand te storen wanneer hij laat thuis komt, maar je krijgt de indruk dat hij zich beklemd voelt en graag alleen is, ook in het weekend, als hij in z’n eentje lange wandelingen maakt.

Naast spanning en desillusie beschrijft Brennan ook geborgenheid. Sommige momenten zijn bijna magisch. Maar toch: alles is doortrokken van de eenzaamheid van Delia. Haar huis is haar kleine kasteel. Ze houdt van haar kinderen maar klampt zich ook aan ze vast, alsof ze bij hun wil horen, zekerheid aan hun wil ontlenen. Het huis is als een schip waarvan Delia de bemanning bij elkaar probeert te houden. Haar man is ze al kwijt, de kinderen heeft ze nog.

Nieuwe sofa

De verhalen over de Bagots hebben iets onontkoombaars, waardoor ze boven de straten van de lagere middenklasse uitstijgen. Ze vormen geen aanklacht, geen maatschappijkritiek, Brennan beschrijft situaties. Zo wijdt ze een verhaal aan de bezorging van een nieuwe sofa en alle zorgen die Delia zich daarbij maakt. Brennan neemt haar personage volstrekt serieus, met een humaniteit en intensiteit die doen denken aan de verhalen van James Joyce en de romans van Virginia Woolf, en daardoor wordt het verhaal over de sofa geen minzame schets van kleinburgerlijkheid. Daarvoor staat er teveel op het spel. Het gaat om Delia’s wereld, waarin ze zich moedig en twijfelend staande houdt. Delia bewoont een klein universum, maar het is een universum. De verhalen over haar zitten vol samengebalde energie. Ze is een heroïsch personage.

En dan kom je bij het laatste verhaal van de bundel, ‘Liefdesbronnen’. Het is veruit het langste verhaal en wordt beschreven vanuit een heel ander perspectief: dat van Min, de tweelingzuster van echtgenoot Martin. Het speelt decennia later. Min is zevenentachtig en heeft na Delia’s dood voor Martin gezorgd, tot ook die overleed. Dodelijk jaloers is ze op hem geweest, ze neemt het hem ontzettend kwalijk dat hij ooit het ouderlijk huis heeft verlaten om met Delia te trouwen. Zelfingenomen troont ze nu weer in haar eigen woning, omringd door de meubels van Delia die ze zich heeft toegeëigend. Behalve dat dit verhaal op zich al adembenemend is, verleent het ook nog eens diepgang aan de verhalen die eraan vooraf gingen. Alice Munro noemde ‘Liefdesbronnen’ ooit een van haar favoriete verhalen. Zelden kom je in de literatuur zo’n vilein jaloers kreng tegen als de oude Min – en toch slaagt Brennan erin geen karikatuur van haar te maken, maar een tragisch personage, een heldin op haar eigen manier.

In haar Brennan-biografie uit 2004 (Maeve Brennan. Homesick for the New Yorker) meldt Angela Bourke dat Brennans familie haar dit laatste verhaal erg kwalijk nam; voor Min had namelijk een tante van Maeve model gestaan die in werkelijkheid veel aardiger geweest zou zijn. Brennan bevond zich op dat moment ver van haar Ierse familie; ze schreef haar verhalen in de Verenigde Staten, waarnaar ze in 1934 op zeventienjarige leeftijd verhuisde toen haar vader diplomaat werd. Na de oorlog werkte ze lange tijd bij The New Yorker, waarvoor ze verhalen en korte schetsen schreef. Haar leven eindigde tragisch, met eenzaamheid en psychische problemen. Pas na haar dood werd ze echt ontdekt als schrijver.

Veel van Brennans verhalen spelen in het Dublin van haar jeugd, en in veel verhalen vormt dat ene huis in Ranelagh het decor. Brennan plaatst ook andere personages dan de Bagots in dat huis. Het is dan ook het huis waarin ze opgroeide. Het is fascinerend om in al die verhalen over verschillende mensen steeds hetzelfde huis tegen te komen, met de goudenregen in de achtertuin, de varens in de voorkamer, de drie treden naar de keuken. Alsof het een noodzakelijk fundament van Brennans literaire universum was, en misschien ook wel van haar leven. (Het bestaat nog steeds, Cherryfield Avenue 48, kijk maar op Streetview.)

De verhalen die in De twaalfjarige bruiloft zijn verzameld zijn zorgvuldig uitgegeven en vertaald (afgezien van een misser in het eerste verhaal waar een over het hoofd geziene komma in het origineel leidt tot een onbegrijpelijke zin over tuinmuren). Wel is het vreemd dat het achtste verhaal dat Brennan over de Bagots schreef, ‘Stories of Africa’, niet is opgenomen. Ook in het nawoord van de vertaler wordt daarover niets gezegd.

    • Rob van Essen