Minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus: "Ik kan me goed voorstellen dat mensen zich vanwege hun huidskleur ongemakkelijk voelen bij Zwarte Piet."

Foto David van Dam

Grapperhaus: ‘De overheid moet een soort Lucky Luke zijn’

Ferdinand Grapperhaus Dinsdag zag Ferdinand Grapperhaus (CDA) zijn maatje Zijlstra vallen. Zelf moet hij als minister ‘lateraal simultaanschaken’. Wat dat precies is? ‘Weet ik niet, maar het klinkt wel druk.’

‘Ach, jochie toch.’ Hoofdschuddend kijkt Ferdinand Grapperhaus naar het tv-scherm in zijn werkvertrek. Het is dinsdagmiddag; in de Tweede Kamer heeft een geëmotioneerde Halbe Zijlstra zojuist zijn aftreden bekend gemaakt als minister van Buitenlandse Zaken, vanwege zijn leugen over Poetins datsja. Grapperhaus is onder de indruk. „Ach, jochie toch,” zegt hij nog eens. „Wat klote.”

Zijlstra, dat was de collega uit het kabinet met wie hij het meest optrok, vertelt Grapperhaus terwijl hij in een fauteuil plaatsneemt. „Vorige week had ik nog een etentje bij hem thuis, gewoon na afloop van een werkdag.” Met één oog blijft hij naar het tv-scherm kijken. „Hij was mijn maatje. Nu moet ik een ander zoeken.”

De val van Zijlstra is Grapperhaus’ eerste rechtstreekse kennismaking met de hardheid van de politiek. Bijna vier maanden is hij nu minister van Justitie en Veiligheid, namens het CDA. Het Binnenhof kende hij al een beetje: zijn vader was staatssecretaris van Financiën in het kabinet-De Jong (1967-1971), zelf is hij sinds een jaar of vijftien actief binnen het CDA.

Flamboyant

De benoeming van Grapperhaus was een gewaagde keuze. Als advocaat en hoogleraar arbeidsrecht groeide hij de afgelopen jaren uit tot een flamboyante publieke persoonlijkheid met uitgesproken meningen. Voordat hij Zijlstra leerde kennen omschreef hij hem nog – in een nieuwsbrief die hij aan vrienden stuurde – als iemand die „grossiert in domme, goedkope, op de onderbuik van Nederland gerichte proefballonnetjes”. In de advocatuur staat Grapperhaus te boek als ongeduldig en humoristisch.

Aan hem en zijn co-minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) is nu de taak om de reputatie te herstellen van Justitie en Veiligheid, het Haagse rampdepartement dat onder VVD-bewind van crisis naar affaire strompelde en in twee jaar tijd liefst drie bewindspersonen zag vertrekken.

Tijdens zijn eerste grote debat met de Tweede Kamer zei Grapperhaus dat hij als „kind in een ketel met rechtsstatelijkheid” gevallen was.

Maar toch: als minister doet hij vooral de V van ‘veiligheid’ in J&V. Grapperhaus is in de eerste plaats verantwoordelijk voor het Openbaar Ministerie (OM), de Nationale Politie, terreurbestrijding en cybersecurity. „70 procent van mijn werk gaat over veiligheid”, zegt hij. „Misschien ben ik de emmer achter de boot die zorgt dat de rechtsstatelijke toetsen in de veiligheidsketen aanwezig zijn.”

Dekker zegt: ik ben de politiek in gegaan vanwege de veiligheid. Hebben jullie niet per ongeluk elkaars portefeuille?

„Nee, het is goed voor mijn intellectuele scherpte dat ik niet in mijn eigen biotoop zit. Ik vind het mooi om in het law and order-beleid zó mee te sturen dat het nog steeds de rechtsstatelijke toets kan doorstaan.”

Gebeurde dat te weinig op het ministerie?

„Dat is niet aan mij. Maar dat in 2010 de veiligheidstak van Binnenlandse Zaken naar Justitie ging, is best een cultuurshock geweest voor veel mensen. Misschien dat Rutte en het CDA daarom iemand binnen hebben gebracht die politiek onervaren is, die helemaal van buiten komt.”

Onder uw voorgangers kreeg het ministerie een slechte naam, door de bonnetjesaffaire en al die afgetreden bewindspersonen.

„Dat vond ik altijd al onzin. Als advocaat had ik veel met Justitie te maken en mijn ervaringen waren altijd top. Ik kan niet garanderen dat er niet nog een affaire komt, maar ik kreeg wel de indruk dat die bonnetjeszaak enorm is uitvergroot.”

Er zou een zwijgcultuur zijn op het ministerie. Er is zelfs een heel verandertraject voor opgetuigd.

„Hoe het hiervoor was met de zwijgcultuur, weet ik niet. Maar ik vind de cultuur hier niet in zichzelf gekeerd. Onze hoogste ambtenaar heeft de afgelopen twee jaar al veel verbeterd.”

„Wel moet er meer reflectie en tegenspraak zijn. Als advocaat had ik snel door welke stagiaire het eigenlijke werk had gedaan, en dan zei ik tegen haar: vertel nou eens, hoe gaan we het doen? Dat doe ik hier ook. Het gaat goed, maar als ministerie kunnen we daar nog wel slagen in maken. Als ik op werkbezoek ga bij agenten, krijg ik dat veel meer. Zij zeggen gewoon: ziet u toch verkeerd, dat moeten we zo oplossen.”

Grapperhaus wijst naar een abstract schilderij aan de muur: een groot geel vlak. Het zou een werk van Rothko kunnen zijn. „Alle ambtenaren die hier komen, zet ik ervoor en vraag ik: vind je het wat, of niet? Vaak zijn ze eerst wat bedeesd, maar het werkt als een ijsbreker. De ambtenaren hier hebben best een beetje aan mij moeten wennen.”

Wat is het verschil met uw werk als advocaat?

„Er moeten hier veel meer knopen worden doorgehakt. Op een dag passeren soms acht of negen verschillende onderwerpen, van jeugdcriminaliteit tot de gevolgen van Brexit. Ik wist in het begin echt niet alle ins and outs van de Nationale Politie. Soms voelde ik me die Amerikaanse toerist: This is Tuesday, so this must be Copenhagen. Het vergt intellectueel heel veel.”

Het is een soort simultaanschaken.

„Ja, precies. Het is een soort lateraal simultaanschaken.”

Wat is dat?

„Dat weet ik ook niet, maar het klinkt wel druk.”

Als minister heeft Grapperhaus een aantal politiek gevoelige dossiers onder zijn hoede. Zo houdt hij zich bezig met de strafzaak over het neerhalen van vlucht MH17. Ook is hij, samen met minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD), verantwoordelijk voor een experiment met legale wietteelt door de overheid – iets waar het CDA tot aan de formatie fel tegen was.

Misschien wel zijn omvangrijkste opdracht: de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Met name in Brabant en Limburg is op grote schaal sprake van vermenging van onder- en bovenwereld. Voetbalclubs waarin drugsgeld wordt witgewassen, lokale bestuurders die onder druk worden gezet door criminelen. Binnen een maand komt Grapperhaus met een ‘actieplan’, zegt hij. Er wordt gewerkt aan een reeks ondermijningswetten én er komt eenmalig 100 miljoen euro voor een zogenoemd „Ondermijningsfonds”.

Hoe wilt u ondermijning aanpakken?

„Burgemeesters krijgen meer bevoegdheden, bijvoorbeeld om panden te sluiten. De aanpak die de afgelopen jaren al in een aantal regio’s is gedaan, gaan we landelijk coördineren. Politie, OM en inlichtingendiensten moeten beter gaan samenwerken, ook als het gaat om uitwisseling van informatie. Zo voorkomen we een waterbedeffect. Ook moeten de strafmaxima voor lidmaatschap van criminele organisaties omhoog. Motorbendes moeten verboden worden, dat is gewoon georganiseerde criminaliteit.

„Ze proberen een legitimatie van de bovenwereld te krijgen. In Breda is er een verbod op het dragen van motorjacks in het centrum. Gingen die gangs, gewoon in hun motorjack, in de binnenstad collecteren voor een goed doel. Daardoor denken mensen: kijk nou, wat een aardige jongens. Maar het is gewoon een provocatie.”

Hoe voorkom je daarmee dat mensen in buurten in Tilburg of Eindhoven stilzwijgend criminaliteit in hun straten accepteren?

„De overheid moet een beetje zijn als Lucky Luke die een geterroriseerde buurt binnenrijdt. Mensen moeten zien dat de overheid er keihard tegenin gaat. Ik begrijp best dat als je in een buurt woont met allemaal criminelen, je je afvraagt: moet ik melden wat er zes huizen verderop gebeurt? De politie noemt ondermijning niet voor niets ‘sluipend gif’. De buurt wordt een schild voor criminele organisaties. Het is onze taak om mensen het weer het gevoel te geven dat ze veilig zijn. Dan kan je burgers aanspreken op hun verantwoordelijkheid.”

Komende maandag dient er een tuchtklacht tegen Grapperhaus bij de Raad voor Discipline. Voormalig KPMG-fiscalist Karim Aachboun beschuldigt hem ervan de gedragsregels van de advocatuur te hebben geschonden en de rechter te hebben misleid. Grapperhaus stond KPMG bij in een arbeidsconflict met Aachboun.

Maakt u zich zorgen over deze zaak?

„Ik wacht het oordeel van de Raad voor Discipline af. Ik ben er niet dagelijks mee bezig.”

Heeft u het idee dat deze klacht extra is aangezwengeld toen u minister werd?

„Ik moet er maar niets over zeggen, het moet een eerlijk proces zijn. Ik bemoei me niet met die zaak, ik ga er ook bewust niet heen maandag. Dan gaat er alleen maar drukte ontstaan. Een oud-partner van mijn kantoor doet de verdediging. Ik zie de uitspraak van de Raad wel tegemoet.”

Ferdinand Grapperhaus, Ferd voor vrienden, groeide op in een katholiek gezin. Kerkgaand is hij allang niet meer, maar met het christelijke levensgevoel voelt hij zich nog zeer verwant. Hij citeert graag de Bijbel, zoals toen hij eerder de vraag kreeg of hij minister wilde worden: „Want velen zijn geroepen, weinigen zijn uitverkoren.” (Mattheüs 22:14)

Sinds 2001 is Grapperhaus actief voor het CDA. Hij werd lid op de dag nadat Pim Fortuyn lijsttrekker was geworden van Leefbaar Nederland. „Ik had me al behoorlijk geërgerd aan hoe Wim Kok zijn kroonprins Ad Melkert presenteerde. Bij Fortuyn dacht ik: nou wordt het toch echt te gek.”

Ik geloof niet dat we onze identiteit verliezen. Misschien dat de straten een keertje minder oranje kleuren in de zomer.

Af en toe deed Grapperhaus een klus voor het CDA. Hij schreef het verkiezingsprogramma in 2010 en was toen ook in beeld om bewindspersoon te worden, „maar je weet hoe die verkiezingen zijn afgelopen.” Het CDA verloor 21 zetels. Grapperhaus stemde vóór het omstreden gedoogkabinet met de PVV, maar koos daarna „de luwte”. Maxime Verhagen en zijn mensen, die het CDA onder Rutte I droegen, waren „niet echt mijn kring.”

Binnen het CDA staat Grapperhaus te boek als progressief en sociaal. Een ander soort christendemocraat dan Sybrand Buma, die als partijleider hamert op de Nederlandse identiteit. Die staat volgens Buma onder druk dankzij migratie, globalisering en Europese eenwording. Grapperhaus is daar „relaxeder” over, zegt hij. „Ik geloof niet dat we onze identiteit verliezen. Misschien dat de straten een keertje minder oranje kleuren in de zomer omdat we ons met het Nederlands Elftal niet hebben geplaatst voor een kampioenschap. Maar als Tom Dumoulin de Giro wint, staat het land ook op z’n kop. En ook nu met schaatsen trouwens.”

Buma vreest dat de Nederlandse identiteit verloren gaat.

„Dat beeld over Buma is wat overtrokken. Hij vindt dat we niet al te voorzichtig moeten zijn om voor onze identiteit óp te komen. Dat vind ik ook. Uit onderzoek van Harvard blijkt: een hele grote groep witte mannen van boven de vijftig heeft enorme moeite met de veranderende maatschappij. Vrouwenemancipatie, het loslaten van christelijke normen. Dat is voor hun gewoon te snel te gaan, en daar heb ik begrip voor.

„Maar ik ga niet direct zeggen: onze samenleving gaat ten onder. Integendeel. De Nederlandse samenleving is nog altijd heel erg hecht.”

Vind u identiteit het belangrijkste politieke onderwerp van dit moment, net zoals Buma?

„Ik vind culturele identiteit wel heel belangrijk. In beginsel is die Nederlands, maar ik geloof niet dat hij helemaal gefixeerd is. De VS zijn daar het beste voorbeeld van. En heel sterke identiteit, maar uit allerlei verschillende invloeden ontstaan – en hij ontwikkelt zich nog steeds.”

„Bevolkingsgroepen moeten wel openstaan voor de samenleving waarin ze wonen. Ik heb me zeer geërgerd aan de Turkse inmenging met die minister vorig jaar. Zozeer dat ik Mark Rutte de extra zetelwinst van de VVD uiteindelijk gun. Je kunt assimileren en tegelijkertijd een heleboel eigen identiteit behouden. Neem mijn eigen groep, katholieke Duitsers uit Nedersaksen die in de negentiende eeuw naar Nederland kwamen. Ook wij hebben thuis een paar dingen waaraan we vast hebben gehouden, zoals Heiligenabend vieren.”

In uw boek ‘Rafels aan de rechtsstaat’ neemt u ook afstand van Zwarte Piet.

„Heel ideologisch zit ik daar niet in. Ik kan me alleen goed voorstellen dat mensen zich vanwege hun huidskleur ongemakkelijk voelen bij Zwarte Piet. Het Al Johnson-idee van een blanke die zich schminkt. Ik heb er gewoon alle begrip voor als je zegt: daar moeten we mee ophouden. Sinterklaas daarentegen vind ik een geweldige Nederlandse traditie.”

Er zijn mensen die zeggen: Zwarte Piet is onderdeel van die gezamenlijke Nederlandse traditie.

„Je kunt best een element dat niet beslissend is, eruit halen. In mijn eigen partij wordt daar anders over gedacht, dat vind ik goed. Deze discussie moet in de samenleving plaatsvinden. Sinterklaas vind ik identiteitsbepalend voor Nederland. Met Zwarte Piet had ik als jongetje al een stuk minder.”

Grapperhaus wijst op een foto aan de muur. „Kijk, dat is haar.” Anderhalf jaar geleden overleed zijn vrouw Florentine aan kanker. Toen ze hoorde dat ze terminaal ziek was, besloot ze af te zien van behandeling en vroeg ze om euthanasie. Grapperhaus schrijft aan een boek over de laatste weken van zijn vrouw, werktitel: Onvoltooid voltooid leven. Het is bijna af, hij moet „nog maar tien procent doen”.

Een onderwerp als euthanasie ligt gevoelig in Grapperhaus’ partij, het CDA. Dat geldt helemaal voor ‘voltooid leven’, het D66-plan om mensen die niet uitzichtloos en ondraaglijk lijden de mogelijkheid te geven euthanasie te plegen.

Het boek is een monument voor mijn vrouw. Florentine kreeg out of te blue te horen: je hebt nog zes weken te leven.

Toch is Grapperhaus vast van plan Onvoltooid voltooid leven tijdens zijn ministerschap te publiceren. „Dat boek gaat er zeker komen.” Hij heeft al bedacht dat hij zijn royalties aan het Prinses Maxima Centrum voor kinderoncologie wil schenken. „Als minister heb je al een heel mooi inkomen.”

Voorwaarde is wel dat zijn vier kinderen gelukkig zijn met de tekst. En Grapperhaus wil de tekst ook best voorleggen aan Buma. „Ik wil niemand politiek tegen z’n schenen schoppen.”

„Het boek is een monument voor mijn vrouw. Florentine kreeg out of te blue te horen: je hebt nog zes weken te leven. Ze kon nog wel een therapie doen, die haar zeer zou hebben aangetast – dan zou ze nog een half jaar geleefd hebben. Ook geen fijn alternatief. Ze heeft ervoor gekozen om haar dood tegemoet te treden. Wat mij heel erg gefascineerd heeft, ook in bewonderende zin, is hoe iemand in twee, drie dagen tijd over een kolossale drempel heengaat. En zegt: ik treed liever de dood tegemoet. Daarvan zeiden veel artsen: ik vind het moedig en verstandig.”

U schrijft in het boek dat u gelukkig bent hoe het proces verlopen is.

„Absoluut. Het is ook volledig onder de huidige euthanasiewet gebeurd.”

In een van uw columns in het FD schreef u: het is „een zegen” dat het kabinet Rutte II ouderen het recht wil geven op ‘voltooid leven’.

„Ik heb gezegd: goed dat daar een discussie over gevoerd wordt. Later heb ik overigens geschreven dat ik de indruk heb dat het al heel goed geregeld is in de huidige euthanasie-wetgeving.”

Over zijn boek is een misverstand ontstaan, zegt Grapperhaus: het is géén pleidooi voor een ‘voltooid leven’-wet. Misschien heeft hij dat ook wel aan zichzelf te danken, vanwege die werktitel. „Maar ik kan niet ontkennen dat ik die mooi vind.

In de week dat het wetsvoorstel voor voltooid leven werd aangekondigd, overleed mijn vrouw. Twee weken eerder had ik een discussie met haar. Er waren vrienden over de vloer, ze zei: ik vind dat ik een voltooid leven heb. Ik protesteerde: dat is gewoon niet waar, je had nog van alles kunnen doen. Vandaar dat ‘onvoltooid’.”

Heeft de dood van uw vrouw de mentale ruimte geschapen om minister te worden?

„Het klinkt wel heel zwaar, maar mijn vrouw heeft op haar sterfbed letterlijk gezegd: je hebt nog wel een opdracht. Ik dacht eerst dat ze bedoelde: dat boek afschrijven. Maar wie weet heeft ze dit wel bedoeld.”

    • Thijs Niemantsverdriet
    • Mark Lievisse Adriaanse