‘Dat schavuiterige doet ’t hem’

Marita Mathijsen

De 19de-eeuwse schrijver Jacob van Lennep kreeg een wervelende biografie. Voor Nederland luidde hij de moderne tijd in, gelezen wordt hij niet meer. Biograaf Mathijsen: „Door de lezer op zijn gemoed te werken werp ik een lasso om hem naar me toe trekken.”

Jacob van Lennep was schrijver, historicus, weldoener. Spotvogel, vernieuwer, politicus. Wijvendief, dat ook. Vergeten? Ja. Maar zijn biografie staat in alle boeken-toptiens. Dat wil zeggen dat het publiek de biografie leest van een schrijver die niemand meer leest. Onder de handen van auteur Marita Mathijsen (1944) werd Van Lenneps leven, het duurde van 1802 tot 1868, aanleiding voor een wervelende biografie van de 19de eeuw. Het is het verhaal van een megalomaan schrijversleven, en van de man die voor Nederland de moderne tijd inluidde. Het zit vol maatschappelijke wetenswaardigheden, inclusief een korte cursus bevallen in 1802. Dat accent vindt ze logisch: „Een vrouw had het niet makkelijk, dat mag best blijken uit zo’n boek. Of neem zijn onechte dochter. Het lijkt erop dat Van Lennep haar dwong te trouwen met iemand die naar Indië vertrok, zodat ze niet meer zichtbaar was.”

Maar dat succes, hoe verklaart ze dat? Mathijsen vermoedt, fluisterend alsof ze bang is om de ban te verbreken: „Wij zitten in een overgangstijd. Alles verandert met een snelheid die niet bij te houden valt. Dat was voor de 19de-eeuwer ook zo. Dat zal de lezer herkennen. Denk ik… dénk ik… Ik heb met dit boek geprobeerd het gevoel van de lezer aan te spreken. Van Lennep kan je ontroeren. Je kunt kwaad op hem worden. Of je ergeren. Dat versterk ik met mijn stijl.”

Hoe doet u dat?

„Met gebruik van literaire middelen. Jazeker, dat mag. Ik begin het boek niet met zijn geboorte of doop. Ik weet daar alles van hoor, ik weet zelfs wanneer hij zindelijk werd. Maar de eerste pagina’s besteed ik aan de begrafenis van zijn moeder, waar Jacob van Lennep niet bij is. Hij is veertien en zijn vader schrijft hem dat zijn moeder gestorven is. In diezelfde brief typeert zijn vader hem: in geest en lichaam is hij ‘zo heerlijk toegerust’. Maar hij waarschuwt hem voor ‘het vuur der driften’. Door de lezer op zijn gemoed te werken werp ik een lasso om hem naar me toe trekken. Dat moet wel, want waarom zou hij dit lezen?”

Als u Van Lennep nu de hand zou schudden, wat zag u dan?

„Die ogen van hem. Ze twinkelen. Hij had ze ook nog toen hij oud was. Een maand voor hij sterft schrijft zijn dochter nog dat hij uit het raam van een hotel klimt. Iemand die op zijn oude dag nog liever het raam dan de deur neemt, wat moet dat een heerlijke man geweest zijn.”

Van Lennep is hyperactief en hoogbegaafd. Hij is een charmekanon.

„‘Een bezielde schavuit’ noem ik hem in de titel van de biografie. Een contradictie dus. Dat schavuiterige, dat spreekt de mensen aan.”

U ook.

„Ja natuurlijk. Ik wil geen boek schrijven over een brave dominee-dichter. Maar figuren als De Schoolmeester, Bilderdijk, Kloos, daar heb je iets aan. Markante mannen met woelige levens.”

U trakteert op details die andere biografen laten zitten. Van Lenneps echtgenote houdt kippen achter hun pand aan de Keizersgracht 560. Zijn opa overleed nadat hij ‘bij de begrafenis van een jachtopziener kou had gevat’.

„Maar een detaillist ben ik niet, dat wijs ik juist af. Ik kleur het verhaal met dingen die van belang zijn voor het grotere geheel. Door een persoonlijke toets niet uit de weg te gaan, veroverde ik de goeie toon. Ik had zo veel informatie, met 10.000 brieven, dagboeken, en kranten, waar hij jaarlijks zo’n vijftig keer in voorkwam. Ik moest me beperken, de lezer zit niet te wachten op de ene anekdote na de andere.”

Uw ergernis aan Van Lenneps zeven jaren van religieus fanatisme druipt van de pagina’s.

„Ik kan het niet ontkennen”, grinnikt Mathijsen. „Ik heb geprobeerd afstand te houden, maar dat is blijkbaar niet gelukt. Misschien komt het door mijn eigen katholieke achtergrond. Het is zo verdomd moeilijk om je er van los te maken. Toen wij, negen kinderen, in de dertig waren, deden we nóg voor mijn ouders of we naar de zondagsmis gingen. We zaten ’m uit in het café tegenover de kerk. Die impact van het geloof op een leven hindert me. Misschien dat ik het daarom nogal fel beschreven heb. Ik zocht al voor ik met schrijven begon naar een vorm om te laten zien hoe ik over hem dacht. Ik heb aanvankelijk overwogen om tussen de hoofdstukken episodes te schrijven waarin ik hem ter verantwoording kon roepen: man, waar ben je mee bezig? Uiteindelijk koos ik ervoor me als een verteller op te stellen die af en toe prikt en een stampvoetje maakt.”

Bij de presentatie van uw biografie kreeg u de vraag: Multatuli of Van Lennep? U antwoordde dat u met Van Lennep wel getrouwd had willen zijn. Maar dat was de vraag niet!

„Ja, ik had moeten zeggen: Van Lennep kan waanzinnig goed een verhaal vertellen, maar Multatuli is een interessantere schrijver. Met mijn antwoord gaf ik aan dat ik denk in persoonlijkheden, niet in schrijvers. Ik stelde me dat voor: getrouwd zijn met Van Lennep. Hield ik dat vol? Ik weet het niet zeker.”

Wat is Van Lenneps voornaamste betekenis? Zijn maatschappelijke impact was groot, hij maakte zich sterk voor de Amsterdamse waterleiding, voor het Noordzeekanaal, te veel om op te noemen. En dan een enorme hoeveelheid romans en gedichten.

„Toch de literatuur. Natuurlijk is die waterleiding belangrijk, of het Vondelpark, of het beeld van Rembrandt. Maar dat waren collectieve initiatieven. Zonder hem was het Amsterdamse water, het beste van alle wereldsteden, er ook gekomen. Hij was goed gebekt en geestig. Van elke vergadering maakte hij een vrolijke bijeenkomst. In de politiek werkte dat tegen hem, daar verweten ze hem dat hij van alles een lolletje maakte.”

Van Lennep schrijft het woord neger en dan voegt u toe: ‘Ja hoor, ik weet ’t, kan niet’. Moet dat, in de biografie van een 19de-eeuwer?

„Ja. Vind ik wel, dat woord kun je niet meer gebruiken. Ik becommentarieer het ook als hij zich onheus uitlaat over Joden. Ik wil het niet excuseren, ik zeg gewoon: fout. Dat kan, omdat ik ervoor heb gekozen om in dit boek als verteller op te treden. Eigenlijk doe ik dat op zijn 19de-eeuws, met invallen, associaties, terzijdes. Ik meld hoe ik iets aanpak, ik schrijf: ik loop nu even op de dingen vooruit. Ik doe aan cliffhangers.”

En aan speuren. U lijkt Baantjer wel, in uw jacht op ‘het aprilmeisje’, zoals u de moeder noemt van het onwettige kind dat Van Lennep erkende. Vergeefs, u komt er niet achter wie zij was.

„Dat Van Lennep zich gedwongen voelde deze dochter te erkennen, is veelzeggend. Hij had meer buitenhuwelijkse kinderen, bij een ‘gewone’ vrouw. Hij onderhield hen, maar officieel erkennen deed hij die niet. Haar dus wel. Waarom is zo zorgvuldig verdonkeremaand wie haar moeder was? Uit het jaar van haar geboorte ontbreken katernen in kasboeken en correspondentie. Henriëtte van Asbeck komt het meest in aanmerking. Ze bloost opvallend als ze Van Lennep na lange tijd weer ziet. En er is zijn gedicht over haar borsten:

’k Herken dien malschen boezem

Zo blank als lente bloezem,

Waarin de mingod vloog.”

Een ander incident dat u met smaak beschrijft is Van Lenneps poging tot vlucht uit zijn huwelijk met Doortje Ringeling. Alleen die naam al!

„Natuurlijk had ik daar plezier in. Jacob is 32, ontevreden over zijn leven en hij wordt zo verliefd dat hij deze Doortje overhaalt om met hem in Engeland een nieuw leven te beginnen. Hij vertrekt stiekem, laat zijn vrouw van 42, met nog een baby in de wieg, achter. Zonder iets te zeggen. Mevrouw vraagt de dienstbode om hem te waarschuwen dat het diner wordt geserveerd en die zegt verbaasd: maar u weet toch wel dat hij vertrokken is? Vreselijk, ik zie het voor me. Zijn vader achterhaalt hem in een hotel in Rotterdam. Het bijzondere is dat hij hem die nacht met Doortje gunt, hij wacht de morgen af, pas dan neemt hij hem mee. In alle haast, dat wel. Jacob moet op zijn kousen de koets in, tijd om zijn laarzen aan te trekken kreeg hij niet.”

Kunt u dit werkelijk helemaal verantwoorden?

„Ik heb verschillende bronnen, ook doorgehaalde passages in brieven die ik heb weten te ontcijferen. Dat van die laarzen staat in een dagboek van een vriend van zijn vader.”

Hoe het Doortje Ringeling vergaan is, beschrijft u ook.

„Doortje kon geen kant meer op, haar leven was kapot. Iedereen wist van hun affaire. Nooit zou ze meer kunnen trouwen, kinderen zou ze niet krijgen. Van Lennep kon gewoon terug naar zijn gezin.”

U bezocht Doortjes graf in Lage Vuursche. Uschrijft: ‘Maar wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?’

„Dat leende ik uit de aria ‘Addio del passato’, uit Verdi’s La traviata, – in die opera herkende ik Doortjes lot: een vrouw die haar minnaar verliest door het ingrijpen van diens vader. Ik heb een roos op Doortjes graf gelegd. Natuurlijk.”

    • Joyce Roodnat