Sven werd meer sterveling

Sven Kramer in de Gangneung Oval na zijn rit op de 10.000 meter. Foto Vincent Jannink/ANP

Iedereen zei dat Sven Kramer groots was in de nederlaag. Ik zag eerder een versteende loser. Zijn gelaat dat altijd zo heftig kleurde in bloesem had nu een behang van meel. Zelfs buitenlucht drong niet meer tot hem door.

De onbereikbaarheid van de gouden plak op de tien kilometer bleek dan toch een drama te zijn. Niet dat zijn palmares ineens schraal was geworden, maar hij had de verwachtingen zo hoog opgespoten dat een leeglopende binnenband als een wurggreep over hem heen viel. Het leven was even uitzichtloos.

Reeds voor de start zag je dat het mis zou gaan. Zen moest wijken voor een schroevendraaier waarmee hij aan zijn schaatsen bleef prutsen. Tussendoor verdween hij een paar keer in de kleedkamer. Sven was niet meer helemaal alleen van zichzelf.

Brouille in zijn hoofd.

Dat kan een obsessie niet hebben. Een obsessie is totalitair, verdraagt geen bijkomstigheden, laat verwarring niet toe. Sven Kramer is een fysieke jongen die wil bewegen en de tijd doden, desnoods met een schroevendraaier. Niet toevallig hoor je nooit van schaatsers dat ze zoals voetballers een potje zitten te kaarten. Altijd weer spelen de spieren op.

De veelbesproken tien kilometer waarop Sven nog geen olympisch goud had begon bij het naderen van de wedstrijd te wegen als een baksteen. Ook zo vreemd was dat hij niemand om zich heen had, geen coach, geen meisje. Terwijl hij juist na de fenomenale rit van Jorrit Bergsma en Ted-Jan Bloemen afleiding kon gebruiken. Iemand moest hem helpen uit het recente verleden van de concurrentie te stappen. Kramer deed er zelf niets aan.

De 31-jarige Fries zat op de dag van de ultieme wedstrijd in een emotioneel deficit. Niemand die hem nog toesprak voor het historische duel. Zoals hij daar zat in het kwetsbare enkelvoud van zichzelf dacht ik met hem terug aan Sotsji, vier jaar geleden. Een deel van Nederland leek het wel leuk te vinden dat Jorrit Bergsma toen won. Noem het een gevoel van verbondenheid met de underdog.

Kramer koos voor een nieuwe coach: Jac Orie. Waarschijnlijk een vakman hors categorie, maar niet dat je denkt: wat een leuke gozer. Orie is eerder van perkament dan van bloed en tranen. Hij geeft Sven iets van een dubbele sérieux. De ontwapenende glimlach wordt onderdrukt door het wenkbrauwenspel van de ernst. Terwijl het leven voor Sven van nature al existentieel zwaar is. Een jeugd zonder rock ’n roll, zou je denken.

Misschien had Kramer al te veel olympisch goud gewonnen om nog een laatste keer op zijn geliefde afstand door zweet, bloed en tranen heen te breken. Deze Winterspelen waren voor hem ook al geslaagd. Zelfs een fanatieke winnaar als Sven Kramer is dan toch onbewust minder gefascineerd door de kers op de taart. Niet dat hij dat wou, het gebeurt sluipenderwijs in de gesloten kringloop van een hoofd en lichaam.

Later komt spijt.

Sven Kramer lijkt een brute machtsmens, maar zie zijn ogen naar de verte staren en je weet: metafysica doet ook nog mee. Hij is het prototype van een sporter die subtieler in elkaar zit dan zijn spiermassa. Topsporter met een gemoed, al heeft hij dat nog zelden laten zien.

Bij Kramer denk ik altijd aan de vragen die niet gesteld zijn. Zijn ambities en overgave zijn bekend. Zijn bijna celibataire beoefening van het schaatsen ook. Wilde dromen blijven achterwege. Hij is ook nog eens gebakken in sociaal fatsoen. Het zijn tegenstrijdigheden die hem onberekenbaar maken en misschien, zoals in Pyeongchang, enigszins labiel. Wankelend op de schaats, alla, maar daarom nog niet in het leven. Al zal hij dat nooit met zoveel woorden zeggen.

Sven Kramer is als sportheld reeds historisch geworden. De schijn is ontstaan van een roemrijk isolement. Van een automatisme in succes. Niet dat hij er zelf zo over dacht, maar hij heeft het ook voor deze Winterspelen tot in den treure meegekregen. Als een literair verbod op falen. Die druk heeft zijn benen afgesneden op de tien kilometer. Daarnaast benam het ingepompte verlangen naar eeuwigheid hem de adem. Drama, bij voorbaat.

De ontluistering van een zesde plaats is een klap met nawerking. Voortaan staat een andere Kramer op het ijs. Wellicht een kampioen met meer twijfels over de zin en onzin van het leven. Een beetje meer terug naar de jongen die vertederd wordt door de eerste ijsbloemen op het raam. Meer sterveling.

Ik noem dat geen verlies. Juist niet. Iets meer sociale hitte kan de einzelgänger helpen de loden last van de afzondering te doorbreken. Weer wat toegankelijker en vrolijker te worden. De mens moet het niet altijd afleggen tegen de kampioen.

De koning van de schaatssport heeft nog altijd evenveel toekomst als verleden. Onverminderd liggen hem titels en medailles voor het grijpen. Zijn lichaam zal nog imposanter worden en in zijn hoofd blijft de motor van onbegrensde ambities draaien. Maar na het drama van Pyeongchang zal er toch iets veranderd zijn: Kramer heeft weer weet van een medemens die ook kan schaatsen.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.