Lubberiaans: het probleemveld neertunnelen om zwaluwstaartend pijnpunten af te concluderen

Woordhoek De overleden oud-premier Ruud Lubbers leeft voort in twee Nederlandse woorden: lubberiaans en belubberen. Een unieke prestatie, schrijft Ewoud Sanders.

Premier Lubbers aan het woord bij de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer in 1992. Foto Toussaint Kluiters

Het taalgebruik van Ruud Lubbers was zo kenmerkend dat er in het Nederlands een woord voor is ontstaan: lubberiaans. De Dikke van Dale schrijft dit zonder hoofdletter en beschouwt het als een bijvoeglijk naamwoord, met als betekenis: ‘(van taalgebruik) vaag en omslachtig’. Als synoniem vermeldt Van Dale: wollig.

Ruud Lubbers was van 1982 tot 1994 minister-president. In die periode raakte het Lubberiaans (dat je ook als zelfstandig naamwoord tegenkomt en dan met een hoofdletter wordt geschreven) bij het grote publiek bekend omdat Lubbers indertijd het vaakst op radio en tv te horen was. Maar Lubbers was toen al veel langer actief in de politiek. In 1973 was hij namens de Katholieke Volkspartij minister van Economische Zaken geworden in het kabinet-Den Uyl. Bij mijn weten verscheen het woord lubberiaans in 1974 voor het eerst in een krant, namelijk in de kolommen van het communistische dagblad De Waarheid.

Tussen februari 1973 en januari 1974 was de prijs van margarine met 34 cent gestegen, wat veel huisvrouwen zorgen baarde. De kwestie werd voorgelegd aan minister Lubbers, die hierop het volgende antwoord gaf: „Hopend op een prijsdaling voor de grondstoffen is de verhoging in stapjes doorgevoerd waardoor het lijkt of de margarine alsmaar duurder wordt.” De Waarheid noemde dit „een ‘lubberiaans’ antwoord”, wat neerkwam op een leugen, want de prijsstijging was niet schijnbaar maar een feit.

Lubbers kon een verbaal rookgordijn opwerpen, een waas van woorden. Zijn antwoorden op vragen waren meestal zo lang en ingewikkeld, dat zelfs geoefende luisteraars niet doorhadden dat zij met een kluitje in het riet werden gestuurd. Ook gebruikte hij veel Haags jargon. Eén voorbeeld: „Dit probleemveld moet worden neergetunneld in een motie, om langs deze weg en in lijn met de afspraken met het kabinet al zwaluwstaartend de pijnpunten snelstens en bestens af te concluderen.”

Volgens voormalig VVD-Kamerlid Ton Elias, die lang als journalist met Lubbers te maken had, gebruikte Lubbers zoveel woorden om de politieke verdeeldheid binnen de CDA-fractie toe te dekken; op andere momenten kon hij glashard en kraakhelder zijn. Politicus Ed Nijpels memoreerde dat Lubbers het lubberiaans inzette als onderhandelingstactiek. Je wist naderhand niet wat je precies met hem had afgesproken.

Belubberen

Veel kiezers hadden de indruk dat zij door het wollige taalgebruik van Lubbers om de tuin werden geleid. Op 12 oktober 1983 lanceerde PvdA-Kamerlid Marcel van Dam daarvoor het woord belubberen. Tijdens het debat over de Rijksbegroting voerde Van Dam een denkbeeldige employé van minister-president Lubbers ten tonele, tuinman Flipse, die met een tientje minder in zijn loonzakje thuiskwam. Waarop zijn vrouw zei, aldus Van Dam: „Volgens mij heb je je laten belubberen.”

De reactie van Lubbers kwam als volgt in de Handelingen van de Tweede Kamer terecht: „Mijnheer de Voorzitter! Tegen deze woordspeling moet ik groot bezwaar maken. [...] De heer Van Dam probeert de suggestie te wekken dat de regering hier de zaak aan het bedonderen is. Ik acht dit volstrekt onaanvaardbaar. Als hij, hoe geestig hij dit ook vindt, een woordspeling invoegt, acht ik dat, ook als oud-collega, onder de maat! (applaus ter rechter zijde).”

Belubberen heeft de Dikke van Dale niet gehaald, maar je komt het af en toe nog wel tegen. Ruud Lubbers leeft dus voort in twee Nederlandse woorden. Bij mijn weten is dat een unieke prestatie.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders